• Nederlands
  • Français
  • Deutsch
  • English

Politie en scheepvaartreglement Zee

 

J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 9 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
Erratum Einde     Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State  
 
 
Titel
4 AUGUSTUS 1981. - Koninklijk besluit houdende politie- en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-07-1987 en tekstbijwerking tot 16-08-2007)

Bron : VERKEERSWEZEN
Publicatie : 01-09-1981 nummer : 1981001557 bladzijde : 10833
Dossiernummer : 1981-08-04/31
Inwerkingtreding : 01-10-1981

 

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Sectie 1. Toepassingsgebied.
Art. 1-2
Sectie 2. - Begripsomschrijvingen.
Art. 3-4
HOOFDSTUK II. - Scheepvaartregelen.
Sectie 1. - Algemene bepalingen.
Art. 5-7, 7bis, 7ter, 7quater, 7quinquies, 7sexies, 7septies, 8-9
Sectie 2. - Scheepvaartbewegingen.
Art. 10-12
Sectie 3. - Lichten, dagmerken en seinen.
A. Vaartuigen.
Art. 13-16
B. Vaste kunstwerken.
Art. 17
C. Wrakken en gezonken vaartuigen.
Art. 18
Sectie 4. - Verplichtingen van eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers van vaartuigen.
Art. 19-20
HOOFDSTUK III. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> - Bepalingen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren.
Art. 21-22, 22bis, 23-26, 26bis, 27
HOOFDSTUK IV. <voorheen hoofdstuk III; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> _ Instandhouding van scheepvaartwegen, havens en de stranden van de Belgische kust.
Art. 28-33
HOOFDSTUK V. <voorheen hoofdstuk IV; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> _ Overheidsmaatregelen.
Art. 34-36
HOOFDSTUK VI. <voorheen hoofdstuk V; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> _ Diverse bepalingen.
A. Pleziervaart en strandvisserij.
Art. 37, 37bis, 38-40
B. Andere activiteiten.
Art. 41-43
HOOFDSTUK VII. <voorheen hoofdstuk VI; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> _ Eindbepalingen.
Art. 44-48, 48bis, 49, N1-N9

 

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Sectie 1. Toepassingsgebied.

  Artikel 1. Dit reglement is van toepassing in de Belgische territoriale zee, in de havens en op de stranden van de Belgische kust.
  (Dit reglement bevat bepalingen ter omzetting van richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van richtlijn 93/75/EEG van de Raad.) <KB 2005-09-17/61, art. 8, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>

  Art. 2. § 1. In dit reglement wordt onder "Belgische territoriale zee" verstaan de wateren gelegen binnen een ingebeelde lijn welke parallel loopt met de Belgische kust op een afstand van 3 zeemijlen (5 556m) te rekenen hetzij vanaf de laagwaterlijn van deze kust of van bij eb droogvallende bodemverheffingen indien deze zich binnen 3 zeemijlen vanaf die laagwaterlijn bevinden, hetzij vanaf de uiteinden der permanente havenwerken welke buiten voornoemde laagwaterlijn uitsteken, zoals een en ander op de officiële Belgische op grote schaal uitgevoerde zeekaarten is aangeduid.
  § 2. In dit reglement wordt onder "havens van de Belgische kust" verstaan:
  1° Wat de haven van Oostende betreft: de wateren van de haven van Oostende welke zich uitstrekken van het uiteinde, in zee, van de hoofden der staketsels van de vaargeul tot het benedenhoofd van de sluis van de Handelsdokken, enerzijds, en tot de benedenhoofden van de sluizen van Slijkens, de afsluitdam van de gewezen spuikom en het benedenhoofd van de sluis van het vlotdok van de vissershaven en van het Zeewezendok anderzijds, met inbegrip van de wateren van het Montgomery dok tot aan de Mercatorsluis en van het tijdok van de vissershaven;
  2° Wat de haven van Zeebrugge betreft: de wateren van de haven van Zeebrugge welke zich uitstrekken vanaf de ingebeelde rechte lijn getrokken door de uiterste zeewaartse punten van de havendammen tot de benedenhoofden van de sluizen, met inbegrip van de vissershaven, de jachthaven en het dok van de Belgische Zeemacht alsook de werf- en kielbanken van de vissershaven;
  3° Wat de haven van Nieuwpoort betreft: de wateren van de haven van Nieuwpoort welke zich uitstrekken van het uiteinde in zee, van de hoofden der staketstels van de vaargeul tot de benedenhoofden van de sluizen der achterhaven, met inbegrip van alle ermede in verbinding staande dokken;
  4° Wat de haven van Blankenberge betreft: de wateren van de haven van Blankenberge welke zich uitstrekken van het uiteinde, in zee, van de hoofden der staketsels van de vaargeul tot aan de oosterkaaimuur van het bankdok, met inbegrip van de nieuwe jachthaven.
  § 3. In dit reglement wordt onder "de stranden van de Belgische kust" verstaan de strook van de Belgische kust begrepen tussen de in § 1 bedoelde laagwaterlijn en de hoogwaterlijn.

  Sectie 2. - Begripsomschrijvingen.

  Art. 3. In dit reglement wordt verstaan onder:
  1° Vaartuig: elk drijvend tuig, met inbegrip van vaartuigen zonder waterverplaatsing en watervliegtuigen, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer of verplaatsing te water;
  2° Zeeschip: elk vaartuig dat gewoonlijk de zee bevaart of hiertoe bestemd is;
  3° Bovenmaats zeeschip: zeeschip dat wegens zijn lengte of zijn diepgang ten opzichte van de toestand van de vaargeul, door de Dienst van het Loodswezen als dusdanig wordt aangemerkt overeenkomstig de normen door die dienst bepaald en officieel meegedeeld aan zeevarenden (bericht aan zeevarenden nr 1 - afgekort B.a.Z. nr 1);
  4° Binnenschip: elk vaartuig dat gewoonlijk de binnenwateren bevaart of hiertoe bestemd is;
  5° Pleziervaartuig: het vaartuig dat al dan niet gebruikt voor winstgevende verrichtingen in welke vorm ook, aan pleziervaart doet of ervoor bestemd is;
  6° Kapitein of schipper: elke persoon die belast is met de leiding van een vaartuig of deze in feite neemt, alsmede elke persoon die hem vervangt;
  7° Ambtenaren of bedienden der overheid: de in artikel 38 bedoelde personen;
  8° Verdrag: het verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, goedgekeurd bij de wet van 24 november 1975;
  9° Voorschrift: één van de voorschriften van de internationale bepalingen gevoegd bij het in 8° bedoeld Verdrag;
  10° Helder licht: licht dat onder normale weersomstandigheden op een afstand van ten minste 2 zeemijlen (3 704 m) zichtbaar is.
  (11° exploitant : eigenaars, reders, charteraars, beheerders of agenten van een vaartuig, daaronder mede begrepen de kapitein;) <KB 2005-09-17/61, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  (12° vaartuig dat gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoert : ieder vaartuig dat de volgende stoffen vervoert :
  - stoffen als omschreven in de I.M.D.G.-Code, gevaarlijke vloeistoffen opgenomen in hoofdstuk 17 van de I.M.O. Bulk Chemical Code, vloeibare gassen opgenomen in hoofdstuk 19 van de I.M.O. Gas Carrier Code en vaste stoffen als bedoeld in aanhangsel B van de BC-code;
  - stoffen voor het vervoer waarvan passende voorwaarden zijn neergelegd overeenkomstig paragraaf 1.1.3 van de I.M.O. Bulk Chemical Code of paragraaf 1.1.6 van de I.M.O. Gas Carrier Code;
  - oliesoorten als omschreven in bijlage I van het Marpol Verdrag, schadelijke vloeistoffen als omschreven in bijlage II van het Marpol Verdrag, schadelijke stoffen als omschreven in bijlage III van het Marpol Verdrag;) <KB 2005-09-17/61, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  (13° I.M.O. : Internationale Maritieme Organisatie;
  14° I.M.D.G. Code : de meest recente versie van de Internationale maritieme Code voor gevaarlijke goederen opgemaakt door de I.M.O. en van artikel 108 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement (...); <KB 2005-09-17/61, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  15° I.M.O. Gas Carrier Code : de meest recente versie van de voorschriften voor bouw en uitrusting van zeeschepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren, uitgegeven door de I.M.O., en deze van het ministerieel besluit van 17 juli 1981 betreffende aanvullende voorschriften voor de bouw en de uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren;
  16° I.M.O. Bulk Chemical Code : de meest recente versie van de voorschriften voor bouw en uitrusting van zeeschepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, uitgegeven door de I M.O. en deze van het ministerieel besluit van 24 juni 1975 betreffende aanvullende voorschriften voor schepen die gevaarlijke stoffen in bulk vervoeren (...); <KB 2005-09-17/61, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  17° Marpol Verdrag : de meest recente versie van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen en Bijlagen, opgemaakt te Londen op 2 november 1973 en het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen en Bijlage, opgemaakt te Londen op 17 februari 1978.) <KB 1996-02-09/38, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995>
  (18° INF-code : de meest recente versie van de IMO-code van veiligheidsvoorschriften voor het vervoer van bestraalde splijtstoffen, plutonium en hoogradioactieve afvalstoffen in vaten aan boord van een schip.) <KB 1998-12-09/39, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1998>
  (19° " IMO-resolutie A.851(20) " : resolutie 851(20) van de Internationale Maritieme Organisatie, aangenomen door de vergadering tijdens haar twintigste zitting op 27 november 1997 betreffende de algemene beginselen voor de positie-indicatie voor schepen en de meldingsvoorschriften, met daarin begrepen de richtlijnen betreffende de melding van incidenten waarbij gevaarlijke goederen, schadelijke substanties en/of zeeverontreinigende stoffen betrokken zijn.) <KB 2001-06-25/32, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 04-08-2001>
  (20° verlader : de persoon door wie, namens wie of ten behoeve van wie een overeenkomst voor het vervoer van goederen over zee is gesloten met een vervoerder;
  21° adres : naam en communicatieverbindingen via welke, indien nodig, contact kan worden gelegd met de reder of beheerder van een vaartuig, de agent, de havenautoriteit, de bevoegde instantie of iedere andere gemachtigde persoon of organisatie die beschikt over gedetailleerde gegevens betreffende de lading van het vaartuig;
  22° traditionele schepen : historische schepen en replica's daarvan, met inbegrip van schepen die ontworpen zijn om traditionele vaardigheden en zeemanschap aan te moedigen en te bevorderen, die als levende cultuurmonumenten volgens de traditionele beginselen van zeemanschap en techniek worden bestuurd;
  23° ongeval : een ongeval in de zin van de IMO-code voor het onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee;
  24° maatschappij : een maatschappij als bedoeld in voorschrift 1, paragraaf 2, van hoofdstuk IX van het SOLAS-verdrag;
  25° SOLAS-verdrag : het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee, en bijhorende protocollen en wijzigingen;
  26° ISM-code : de internationale veiligheidscode voor de scheepvaart en ter voorkoming van verontreiniging, zoals goedgekeurd door de algemene vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie bij resolutie A.741 (18) van 4 november 1993 en verplicht gesteld krachtens het hoofdstuk IX van het SOLAS-verdrag;
  27° BC-code : de IMO-code met praktische voorschriften voor de veiligheid van het vervoer van lading;
  28° verkeersbegeleidingssysteem (VBS) : een dienst die is opgezet om de veiligheid en de efficiëntie van het scheepverkeer te verbeteren en het milieu te beschermen en dus in het verkeer kan interveniëren en op verkeerssituaties die zich in het VBS-gebied voordoen, kan reageren;
  29° scheepsrouteringssysteem : een systeem van één of meer routes of routeringsmaatregelen om het risico van scheepsongevallen te verkleinen dat bestaat uit verkeersscheidingsstelsels, vaarwegen voor tweerichtingsverkeer, aanbevolen koerslijnen, gebieden die dienen te worden gemeden, zones voor kustverkeer, rotondes, voorzorgsgebieden en diepwaterroutes;
  30° agent : de persoon die opdracht of toestemming heeft om namens de exploitant van een vaartuig informatie te verstrekken;
  31° de Minister : de minister tot wiens bevoegdheid de maritieme zaken en de scheepvaart behoren.) <KB 2005-09-17/61, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>

  Art. 4. De in de Voorschriften 3 ,21 en 32 gegeven begripsomschrijvingen gelden ook voor de toepassing van dit besluit, tenzij het er uitdrukkelijk van afwijkt.

  HOOFDSTUK II. - Scheepvaartregelen.

  Sectie 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 5. § 1. Geen vaartuig mag de havens van de Belgische kust binnenvaren indien het om reden van zijn afmetingen of zijn diepgang of om enige andere reden een gevaar vormt of dreigt te vormen voor de veiligheid van het vaartuig zelf of van de scheepvaart, of voor de haven- en kunstwerken of voor het milieu in 't algemeen. Indien bijzondere omstandigheden dit vereisen kan de overheid echter in door haar te bepalen voorwaarden een vaartuig, dat om een der bovengenoemde redenen niet in de havens van de Belgische kust mag binnenvaren, toegang tot een der Belgische havens verlenen.
  § 2. De haven van Blankenberge is alleen toegankelijk voor pleziervaartuigen.

  Art. 6. In de havens van de Belgische kust gelden voor de binnenschepen artikel 1, achtste lid, artikel 2, eerste en tweede lid, en de artikelen 4, 5, 7 en 8 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk.

  Art. 7. § 1. Behoudens andersluidende bijzondere bepaling moet ieder vaartuig op de romp of op de bovenbouw, op een goed zichtbare plaats, zijn naam en die van zijn thuishaven voeren. Die namen moeten in duidelijk met de achtergrond contrasterende letters aangebracht worden en bij helder weer op een afstand van ten minste 50 m leesbaar zijn. Zijn die namen op de zijkant van het schip aangebracht, dan moeten ze aan beide zijden voorkomen.
  § 2. (...) <KB 1999-06-04/53, art. 33, § 2, 007; Inwerkingtreding : 01-10-1999>
  § 3. Met uitzondering van de vissersvaartuigen die gewoonlijk een Belgische haven aandoen, moet elk vaartuig zijn nationale vlag hijsen wanneer het een haven in- of uitvaart en bovendien telkens als de ambtenaren of bedienden van de overheid erom verzoeken.

  Art. 7bis. <Ingevoegd bij KB 2005-09-17/61, art. 10; Inwerkingtreding : 11-10-2005> De reder of beheerder van een vaartuig met een brutotonnenmaat van 300 of meer dat op weg is naar een haven van de Belgische kust, deelt ten minste vierentwintig uur voor aankomst of uiterlijk op het tijdstip waarop het vaartuig de vorige haven verlaat, indien de reisduur minder dan vierentwintig uur bedraagt, of zodra de aanloophaven bekend is, indien zij nog niet bekend zou zijn of tijdens de reis wordt gewijzigd, aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest de in bijlage 8 bedoelde informatie mee.
  Het eerste lid is niet van toepassing op :
  a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
  b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
  c) bunkers van minder dan 5 000 ton, scheepsvoorraden en scheepsuitrusting voor gebruik aan boord.

  Art. 7ter. <Ingevoegd bij KB 2005-09-17/61, art. 11; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Ieder vaartuig met een brutotonnenmaat van 300 of meer dat zich op zee bevindt of zich naar zee begeeft, ongeacht of het tussentijds een haven aanloopt, en dat het gebied binnenvaart van een verplicht scheepsrapportagesysteem dat overeenkomstig voorschrift 11 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag door de IMO is goedgekeurd en overeenkomstig de relevante richtsnoeren en criteria van de IMO mede door de Belgische Staat wordt geëxploiteerd, voldoet aan dat systeem en verstrekt dus de vereiste informatie, onverminderd de aanvullende informatie die wordt verlangd overeenkomstig IMO-resolutie A.851 (20).
  Het eerste lid is niet van toepassing op :
  a) oorlogsschepen, marineschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst zijn bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
  b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
  c) bunkers van minder dan 5 000 ton, scheepsvoorraden en scheepsuitrusting voor gebruik aan boord.

  Art. 7quater. <Ingevoegd bij KB 2005-09-17/61, art. 12; Inwerkingtreding : 11-10-2005> § 1. Bepalingen inzake automatische identificatiesystemen voor vaartuigen gebouwd op of na 1 juli 2002 :
  Passagiersschepen, ongeacht hun omvang, en alle op of na 1 juli 2002 gebouwde vaartuigen met een brutotonnenmaat van 300 of meer, die een Belgische haven aandoen, moeten uitgerust zijn met een automatisch identificatiesysteem dat voldoet aan de door de IMO ontwikkelde prestatienormen.
  § 2. Bepalingen inzake automatische identificatiesystemen voor vaartuigen gebouwd vóór 1 juli 2002 :
  Passagiersschepen, ongeacht hun omvang, en alle vóór 1 juli 2002 gebouwde vaartuigen met een brutotonnenmaat van 300 of meer, die een Belgische haven aandoen, moeten uitgerust zijn met een automatisch identificatiesysteem dat voldoet aan de door de IMO ontwikkelde prestatienormen volgens onderstaand tijdschema :
  a) passagiersschepen : uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
  b) tankschepen : uiterlijk bij de eerste inspectie van de veiligheidsuitrusting na de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
  c) vaartuigen, anders dan passagiersschepen en tankschepen met een brutotonnenmaat van 50 000 of meer : uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
  d) vaartuigen, anders dan passagiersschepen en tankschepen met een brutotonnenmaat van 10 000 of meer, maar minder dan 50 000 : uiterlijk 1 juli 2005 of, voor schepen op internationale reizen, op een eerdere datum waartoe in het kader van de IMO is besloten;
  e) vaartuigen, anders dan passagiersschepen en tankschepen met een brutotonnenmaat van 3 000 of meer, maar minder dan 10 000 : uiterlijk 1 juli 2006 of, voor schepen op internationale reizen, op een eerdere datum waartoe in het kader van de IMO is besloten;
  f) vaartuigen, anders dan passagiersschepen en tankschepen met een brutotonnenmaat van 300 of meer, maar minder dan 3 000 : uiterlijk op 1 juli 2007 of, voor schepen op internationale reizen, op een eerdere datum waartoe in het kader van de IMO is besloten.
  § 3. Passagiersschepen met een brutotonnenmaat van minder dan 300 die worden gebruikt voor binnenlands verkeer worden vrijgesteld van de toepassing van de voorschriften inzake automatische identificatiesystemen.
  § 4. Elk vaartuig dat is uitgerust met een automatisch identificatiesysteem houdt dit te allen tijde operationeel tenzij internationale overeenkomsten, regels of normen voorzien in de bescherming van navigatiegegevens.
  § 5. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op :
  a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
  b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
  c) bunkers van minder dan 5 000 ton, scheepsvoorraden en scheepsuitrusting voor gebruik aan boord.

  Art. 7quinquies. <Ingevoegd bij KB 2005-09-17/61, art. 13; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Ieder vaartuig met een brutotonnenmaat van 300 of meer dat zich op zee bevindt of zich naar zee begeeft, ongeacht of het tussentijds een haven aanloopt, en dat het gebied binnenvaart van een verplicht scheepsrouteringssysteem dat overeenkomstig voorschrift 10 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag door de IMO is goedgekeurd en dat mede door de Belgische Staat wordt geëxploiteerd, maakt van het systeem gebruik overeenkomstig de relevante richtsnoeren en criteria van de IMO.
  Het eerste lid is niet van toepassing op :
  a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst zijn bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
  b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
  c) bunkers van minder dan 5 000 ton, scheepsvoorraden en scheepsuitrusting voor gebruik aan boord.

  Art. 7sexies. <Ingevoegd bij KB 2005-09-17/61, art. 14; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Ieder vaartuig met een brutotonnenmaat van 300 of meer dat zich op zee bevindt of zich naar zee begeeft, ongeacht of het tussentijds een haven aanloopt, en dat het gebied binnenvaart waar een verkeersbegeleidingssysteem wordt toegepast dat mede door het Vlaamse Gewest wordt geëxploiteerd, neemt deel aan dit verkeersbegeleidingssysteem en voldoet aan de regels ervan, overeenkomstig de richtsnoeren van de IMO.
  Het eerste lid is niet van toepassing op :
  a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst zijn bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
  b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
  c) bunkers van minder dan 5 000 ton, scheepsvoorraden en scheepsuitrusting voor gebruik aan boord.

  Art. 7septies. <Ingevoegd bij KB 2005-09-17/61, art. 15; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Vaartuigen van de onderstaande klassen met een brutotonnenmaat van 300 of meer moeten wanneer zij naar zee varen of zich op zee bevinden of een haven van de Belgische kust aandoen, uitgerust zijn met een reisgegevensrecordersysteem dat voldoet aan de prestatienormen van IMO-resolutie A.861 (20) en aan de testnormen zoals vastgelegd in norm nr. 61996 van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) overeenkomstig het volgende tijdsschema :
  a) passagiersschepen die zijn gebouwd op of na 1 juli 2002 : uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
  b) ro-ro-passagiersschepen, die zijn gebouwd vóór 1 juli 2002 : uiterlijk bij de eerste inspectie op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
  c) passagiersschepen, anders dan ro-ro-passagiersschepen, die zijn gebouwd vóór 1 juli 2002 : uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
  d) vaartuigen, anders dan passagiersschepen met een brutotonnenmaat van 3 000 of meer die zijn gebouwd op of na 1 juli 2002 : uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  Vaartuigen van de onderstaande klassen die vóór 1 juli 2002 zijn gebouwd, moeten wanneer zij naar zee varen of zich op zee bevinden of een haven van de Belgische kust aandoen, zijn uitgerust met een reisgegevensrecordersysteem dat beantwoordt aan de desbetreffende geldende IMO-normen :
  a) vrachtschepen met een brutotonnenmaat van 20 000 en meer, uiterlijk op de door de IMO vastgestelde datum, of, bij ontstentenis van een besluit van de IMO, uiterlijk op 1 januari 2007;
  b) vrachtschepen met een brutotonnenmaat van 3 000 of meer maar minder dan 20 000, uiterlijk op de door de IMO vastgestelde datum, of bij ontstentenis van een besluit van de IMO, uiterlijk op 1 januari 2008.
  Passagiersschepen die uitsluitend worden gebruikt voor binnenlandse reizen in zeegebieden, anders dan die welke onder klasse A vallen zoals bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 maart 2002 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen die voor binnenlandse reizen worden gebruikt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 november 1981 betreffende voorschriften voor passagiersschepen die geen internationale reis maken en die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de kust varen en van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement worden vrijgesteld van de eisen met betrekking tot de reisgegevensrecorder.
  De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op :
  a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
  b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
  c) bunkers van minder dan 5 000 ton, scheepsvoorraden en scheepsuitrusting voor gebruik aan boord.

  Art. 8. § 1. Geen enkele bepaling van dit reglement ontslaat de reder, de kapitein of de bemanning van het vaartuig ervan, alle voorzorgen te nemen die volgens het gewone zeemansgebruik of door de bijzondere omstandigheden waarin het vaartuig zich bevindt, geboden zijn.
  § 2. De reder, de kapitein of de bemanning van een vaartuig houden rekening met de gevaren van de scheepvaart en met het gevaar voor aanvaring, en met de bijzondere omstandigheden, inzonderheid met de beperkingen van het gebruik van het vaartuig, waardoor het geboden mocht zijn dit reglement niet na te komen om een onmiddellijk gevaar te keren.

  Art. 9. Niemand mag, hetzij vrijwillig hetzij onvrijwillig, de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengen of deze scheepvaart vertragen door nalatigheid of onbekwaamheid of door maneuvers uitgevoerd in staat van dronkenschap of in een soortgelijke staat ten gevolge van het gebruik van verdovende of hallucinatieverwekkende middelen.

  Sectie 2. - Scheepvaartbewegingen.

  Art. 10. § 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 2 tot 11 worden de Voorschriften 4 tot 9 en 11 tot 19 aan boord van elk vaartuig nageleefd.
  § 2. Vaartuigen die de in artikel 13, § 2 voor bovenmaatse zeeschepen voorgeschreven lichten of het dagmerk niet voeren, moeten uitwijken voor vaartuigen die deze seinen wel voeren. Bovenmaatse zeeschepen die de in artikel 13, § 2 voorgeschreven seinen voeren moeten zich onderling gedragen naar de Voorschriften en naar de bepalingen van dit reglement.
  § 3. Ieder vaartuig dat in de havens van de Belgische kust een ander vaartuig ontmoet, moet de rechterzijde van de vaargeul of de strook gelegen aan de rechterkant van het midden van de doorvaart houden, voor zover dit materieel mogelijk is zonder zijn veiligheid in gevaar te brengen.
  § 4. In afwijking van Voorschrift 3, g, moet een baggervaartuig dat bezig is met baggeren, zo uitwijken dat het de scheepvaart niet hindert, en zijn kabels en kettingen vieren.
  § 5. In de wateren van de havens van de Belgische kust moeten de vaartuigen tijdig hun vaart verminderen wanneer zij in de nabijheid van kunstwerken, in uitvoering zijnde werken of vaartuigen komen, zodat de door hun doorvaart veroorzaakte golfslag of zuiging geen schade kan berokkenen.
  § 6. Vaartuigen mogen niet op gelijke hoogte blijven varen, tenzij dit zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart kan geschieden.
  § 7. Iedere kapitein of schipper moet de havenseinen welke door de overheden worden voorgeschreven en vertoond, in acht nemen.
  § 8. Vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 20 m moeten zo dicht als veilig en uitvoerbaar is de stuurboordwal of het stuurboordstaketsel aanhouden, en in ieder geval bijtijds en ruim uit de weg van andere vaartuigen blijven.
  § 9. Zeilvaartuigen mogen niet laveren in de toegangsgeulen tot de havens van de Belgische kust of in de wateren van die havens; indien zij uitgerust zijn met middelen tot werktuiglijke voortbeweging, moeten zij deze in die wateren gebruiken.
  § 10. Pleziervaartuigen nemen in de havens van de Belgische kust de kortste weg om hun bestemming te bereiken, zonder de veiligheid van de scheepvaart in gevaar te brengen.
  § 11. Het is verboden in de vaargeulen van de havens en op de reden van die havens op enigerlei wijze te vissen. Vanaf kunstwerken of aanhorigheden van de havens mag echter met kruisnetten of lijnen worden gevist in zover daardoor de scheepvaart niet wordt gehinderd.

  Art. 11. § 1. De vaartuigen nemen de lig-, meer- en ankerplaats in die hun door de ambtenaren of bedienden van de overheid wordt toegewezen.
  De kapiteins en schippers volgen de richtlijnen op die worden gegeven in verband met de wijze van aanleggen, meren of ankeren.
  § 2. Geen enkel vaartuig mag van lig-, meer- of ankerplaats veranderen zonder de toestemming van de ambtenaren of bedienden van de overheid.
  § 3. Behoudens het bepaalde in § 4 is het verboden te ankeren of gestopt te liggen in een vaargeul. In geen geval mag men het anker werpen of het over de bodem laten krabben op plaatsen waar zich kabels, leidingen, zinkers of sluisdrempels bevinden.
  § 4. Vaartuigen die verplicht zijn in de vaargeul te ankeren of te blijven liggen, hetzij om op het tij te wachten, hetzij omdat zij niet rechtstreeks naar de toegewezen lig-, meer- of ankerplaats kunnen doorvaren, mogen de scheepvaart niet hinderen. Zij moeten zodra mogelijk zee kiezen of zich naar de hun toegewezen plaats begeven.
  § 5. Onder voorbehoud van het bepaalde in paragraaf 1 mag geen vaartuig zich in de nabijheid van een sluis ophouden.

  Art. 12. § 1. Bij het in- en uitvaren van de sluizen, moeten de vaartuigen zich gedragen naar de bevelen van de ambtenaren of bedienden van de overheid.
  § 2. Worden niet door de sluizen toegelaten de vaartuigen die geen voldoende bemanning aan boord hebben om de bewegingen met de nodige spoed uit te voeren.
  § 3. Bestaat er gevaar voor het bedienen van de sluisdeuren, dan kan de doorvaart verboden worden.

  Sectie 3. - Lichten, dagmerken en seinen.

  A. Vaartuigen.

  Art. 13. § 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 2 tot 6 en in de artikelen 14 tot 16, gedraagt ieder vaartuig zich naar de Voorschriften 20, 22 tot 31 en 33 tot 38 en naar de daarin vermelde bijlagen.
  § 2. Wanneer de loods het heeft aangewezen, voert elk varend bovenmaats zeeschip in de havens van de Belgische kust, op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens behalve de lichten die voor varende werktuiglijk voortbewogen vaartuigen zijn voorgeschreven, drie rondom zichtbare rode lichten loodrecht ten opzichte van elkaar geplaatst en een dagmerk bestaande uit een cilinder, daar waar deze het best kunnen worden gezien.
  § 3. Elk werktuiglijk voortbewogen vaartuig dat in de havens van de Belgische kust op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens één of meer vaartuigen assisteert, voert, behalve de lichten voor varende werktuiglijk voortbewogen vaartuigen voorgeschreven, vooraan een tweede wit toplicht. Indien verscheidene werktuiglijk voortbewogen vaartuigen één of meer vaartuigen assisteren, voert elk assisterend vaartuig vooraan een derde wit toplicht. Deze toplichten staan loodrecht onder elkaar.
  § 4. Werktuiglijk voortbewogen vaartuigen die voorzien zijn van een stuurinrichting aan de voorsteven en daarvan gebruik maken bij het over de achtersteven in- of uitvaren van een haven van de Belgische kust, moeten zolang zij aldus varende zijn, een dagmerk voeren bestaande uit twee zwarte bollen van tenminste 0,60 m middellijn.
  De bollen worden op gelijke hoogte en op een onderlinge afstand van ten minste 2 meter gevoerd. Het dagmerk wordt vertoond daar waar het het best kan worden gezien.
  Ten opzichte van de Voorschriften en van dit reglement moeten de vaartuigen die dat dagmerk voeren, zich gedragen en door andere vaartuigen worden beschouwd als vooruitvarende schepen en wordt te dien einde hun stuurboord voor bakboord en omgekeerd hun bakboord voor stuurboord gehouden.
  § 5. Watervliegtuigen en andere luchtvaartuigen die gebouwd zijn om om het water te maneuvreren zijn aan de Voorschriften en aan dit reglement onderworpen.
  § 6. Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit reglement voert elk vaartuig dat met een bijzondere politieopdracht belast is, tijdens die opdracht, zowel bij dag als bij nacht, daar waar het het best kan worden gezien, een blauw flikkerlicht dat rondom zichtbaar is. Indien verscheidene vaartuigen het bij deze paragraaf voorgeschreven licht voeren, is de tussen die vaartuigen gelegen zone aan de scheepvaart ontzegd.

  Art. 14. § 1. Een vaartuig dat bezig is met het leggen, onderhouden of lichten van een navigatiemerk, een onderzeese kabel of pijpleiding, en vaartuigen die bezig zijn met baggeren, opnamewerkzaamheden of werkzaamheden onder water, voeren de lichten en dagmerken voorgeschreven bij Voorschrift 27b, en in voorkomend geval d. De onderlinge afstand tussen de lichten en dagmerken mag ten minste 0,50 m en ten hoogste 1,83 m bedragen.
  § 2. Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit reglement mag een vaartuig dat bezig is met hydrografische verrichtingen, zowel bij dag als bij nacht, daar waar dit het best gezien kan worden, een geel flikkerlicht voeren.

  Art. 15. § 1. Benevens de in dit reglement voorgeschreven lichten en seinen, voeren zeeschepen welke in de havens, op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens, de in bijlage 1 vermelde gevaarlijke stoffen vervoeren, tijdens de vaart en bij het stilleggen, de in die bijlage voorgeschreven lichten en dagmerk.
  § 2. Benevens de in dit reglement voorgeschreven lichten en seinen, voeren binnenvaartuigen, welke in de havens, op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens de in bijlagen 2, 3 en 4 vermelde gevaarlijke stoffen vervoeren, tijdens de vaart en bij het stilleggen, de in die bijlagen voorgeschreven lichten en dagmerken.
  § 3. De Minister tot wiens bevoegdheid het bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart behoort is gemachtigd om, overeenkomstig de eisen van een veilige scheepvaart, de bepalingen in bijlagen 1 tot 4 in overeenstemming te brengen met de internationale normen of overeenkomsten.

  Art. 16. § 1. Vaartuigen die aan staketsels, kaaien of andere aanlegplaatsen, of terzijde van andere vaartuigen gemeerd liggen, voeren de lichten voorzien bij de Voorschriften voor geankerde schepen.
  § 2. Vaartuigen die gemeerd of ten anker liggen of aan de grond zitten, en voor welke golfslag of woelingen veroorzaakt door snel voorbijvarende vaartuigen hinderlijk kan zijn, voeren:
  a) twee rondom zichtbare heldere lichten, loodrecht onder elkaar, het bovenste rood en het onderste wit;
  b) een dagmerk bestaande uit een vlag of bord met twee horizontale banen van gelijke breedte waarvan de bovenste rood en de onderste wit is en bovendien wanneer het vaartuig betrokken is in duikerswerkzaamheden eveneens een dagmerk bestaande uit de A-vlag of bord van het Internationaal Seinboek.
  § 3. De lichten worden getoond overeenkomstig Voorschrift 20.

  B. Vaste kunstwerken.

  Art. 17. Indien het vaste installaties betreft, moeten de in uitvoering zijnde werken aan hun uiterste grenzen en zo nodig daartussen aangeduid worden, daar waar het het best kan worden gezien, door een dagmerk bestaande uit twee rode vlaggen boven elkaar en door twee loodrecht geplaatste rode lichten met daarboven een groen licht, met onderlinge afstand van ten minste 0,50 m en ten hoogste 1 m. Die lichten moeten rondom op een afstand van ten minste 1 zeemijl (1 852 m) zichtbaar zijn.
  Steigers, dukdalven en andere kunstwerken die boven het gemiddelde laagwaterpeil uitsteken, kunnen eveneens aangeduid worden door de in dit artikel voorgeschreven lichten. Die lichten worden getoond in de omstandigheden en op de wijze bepaald in het eerste lid.

  C. Wrakken en gezonken vaartuigen.

  Art. 18. § 1. De ligging van wrakken en gezonken vaartuigen wordt aangeduid door middel van de lichten en dagmerken, welke in Voorschrift 30 d zijn voorgeschreven voor aan de grond zittende vaartuigen.
  § 2. Wrakken, gezonken vaartuigen en andere obstakels voor de scheepvaart mogen eveneens worden aangeduid door middel van één of meer lichtboeien of tonnen volgens het gecombineerd Kardinaal en Lateraal betonningsstelsel "A" dat in bijlage 5 is bepaald.
  § 3. Voor de toepassing van het in § 2 bedoeld betonningsstelsel wordt als stuurboord- of bakboordzijde van het vaarwater beschouwd de zijde, welke een van zee komend vaartuig aan zijn stuurboord- of bakboordkant heeft, met dien verstande dat wat de kustroute betreft, het gehele gebied wordt geacht als deel uitmakend van de toegangsweg naar de Schelde.

  Sectie 4. - Verplichtingen van eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers van vaartuigen.

  Art. 19. § 1. Ieder kapitein of schipper of bij dezes ontstentenis, iedere eigenaar of exploitant van een vaartuig is gehouden:
  1° zijn vaartuig behoorlijk vast te maken of te verankeren;
  2° het vaartuig zo bij nacht als bij dag te bewaken of te doen bewaken;
  3° steeds de nodige manschappen aan boord te hebben of onmiddellijk ter beschikking te stellen, om de maneuvers die door de ambtenaren of bedienden van de overheid zouden bevolen worden, onmiddellijk te kunnen uitvoeren;

  4° aan dek van een geankerd vaartuig voldoende bemanning te houden om het zwaaien van het vaartuig bij het kenteren van het tij gade te doen slaan, en om bijtijds de vereiste maneuvers te kunnen uitvoeren, onder meer, om het schip sneller te doen zwaaien of om meer ketting te steken;
  5° tuig- of takelwerk dat buiten boord uitsteekt in te halen, wanneer het zo geplaatst is dat het de veiligheid van de scheepvaart of de goede orde in de aanhorigheden van de haven in gevaar kan brengen;
  6° wanneer het vaartuig gemeerd ligt, het buitenste anker, en wanneer het de sluizen nadert en doorvaart, alle ankers in kluis te trekken;
  7° de aan staketsels en kaaien of ter zijde van andere vaartuigen liggende of gemeerde vaartuigen, buitenboord te voorzien van behoorlijke onzinkbare wrijfhouten of -worsten;
  8° gevolg te geven aan elk verzoek om een tros aan te nemen en vast te maken, en eventueel eigen meertouwen los te gooien om het verhalen van andere vaartuigen te vergemakkelijken;
  9° elke voorzorgmaatregel te treffen opdat het proefdraaien van motor met ingeschakelde schroeven geen schade aan derden zou kunnen veroorzaken.
  § 2. In de havens van de Belgische kust zijn artikel 528, eerste, tweede en vijfde lid, en de artikelen 529 en 531 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming van toepassing.

  Art. 20. § 1. Het is verboden sluisdeuren en draaibruggen als steunpunten te gebruiken.
  § 2. Ongeacht hun lig- of meerplaats mogen vaartuigen slechts aan de daartoe dienende bolders, palen, meer- en kabelringen worden vastgemeerd. Het is inzonderheid verboden vaartuigen vast te maken aan ladders, palen, oplangers, steunbalken, bovenbalken van borstweringen van staketsels en kaaien, alsook aan gelijk welke bebakeningsinrichting.
  § 3. Het is verboden een vaartuig vast te meren aan een lichtschip of aan een daartoe niet bestemde boei.
  Het is eveneens verboden het anker te werpen binnen de zwaaikring van een lichtschip of een boei.
  § 4. Het is verboden het scheepsverkeer in de vaargeul te belemmeren, onder meer door het spannen van meerlijnen. Is het voor het verhalen van een vaartuig nodig een meerlijn over de vaargeul te brengen dan moet deze tijdig losgemaakt of gevierd worden om een ander vaartuig te laten voorbijvaren.

  HOOFDSTUK III. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> - Bepalingen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren.

  Art. 21. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. (Vaartuigen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren) en die vertrokken zijn uit een haven buiten de Gemeenschap gelegen met als bestemming een kusthaven, mogen die haven pas binnenvaren op voorwaarde dat de exploitant (uiterlijk bij de afvaart uit de haven van belading of althans zodra de haven van bestemming of ankerplaats bekend is, zo deze niet bij de afvaart bekend zou zijn), de havenkapiteinsdienst van de bestemmingshaven, alle gegevens zoals voorzien in bijlage 5 heeft medegedeeld. <KB 2005-09-17/61, art. 16, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  § 2. Ten aanzien van de vaststelling of gevaarlijke goederen van klasse I van de I.M.D.G.-Code in massa kunnen exploderen, is het oordeel van het hoofd van de Dienst der Springstoffen van het Ministerie van Economische Zaken bindend.
  § 3. De bepalingen van de paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op :
  a) oorlogsschepen en andere schepen van de overheid die voor nietcommerciële doeleinden worden gebruikt;
  b) (bunkers van minder dan 5 000 ton), (scheepsvoorraden) en scheepsuitrusting voor gebruik aan boord. <KB 2005-09-17/61, art. 16, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  (c) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter.) <KB 2005-09-17/61, art. 16, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>

  Art. 22. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. (Vaartuigen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren) vanuit een kusthaven mogen die haven slechts verlaten nadat zij de havenkapiteinsdienst alle gegevens zoals voorzien in bijlage 5 hebben medegedeeld. <KB 2005-09-17/61, art. 17, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  § 2. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op :
  a) oorlogsschepen en andere schepen van de overheid die niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
  b) (bunkers van minder dan 5 000 ton), (scheepsvoorraden) en scheepsuitrusting voor gebruik aan boord. <KB 2005-09-17/61, art. 17, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  (c) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter.) <KB 2005-09-17/61, art. 17, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>

  Art. 22bis. <Ingevoegd bij KB 2005-09-17/61, art. 18; Inwerkingtreding : 11-10-2005> § 1. Vrijstelling van de verplichting tot aanmelding overeenkomstig de artikelen 21 en 22 kan worden verleend voor lijndiensten tussen de havens van de Belgische kust indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  a) de maatschappij die de hierboven bedoelde lijndiensten exploiteert, stelt een lijst van de betrokken vaartuigen op, houdt deze up-to-date en deelt deze mee aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest;
  b) telkens als de reis wordt uitgevoerd, wordt de in bijlage 5 vermelde informatie ter beschikking gehouden van de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest die erom verzoekt. De maatschappij zet een intern systeem op waarmee deze informatie 24 uur op 24 langs elektronische weg aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest kan worden gestuurd onmiddellijk nadat deze daarom heeft verzocht.
  Die vrijstelling wordt toegekend door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.
  § 2. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, controleren regelmatig of aan de voorwaarden van § 1 is voldaan. Wanneer aan ten minste één van deze voorwaarden niet langer wordt voldaan, trekken de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn het voorrecht van de vrijstelling voor de betrokken maatschappij onmiddellijk in.

  Art. 23. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Worden met (vaartuigen) die bepaalde gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren gelijkgesteld: (vaartuigen) die met dergelijke stoffen beladen zijn geweest, maar waarvoor hetzij door een erkende deskundige, hetzij door of vanwege de bevoegde overheid nog geen verklaring is afgegeven waarin bevestigd wordt dat het (vaartuig) geen gevaarlijke of verontreinigende stoffen meer bevat. <KB 2005-09-17/61, art. 19, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>

  Art. 24. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. (Vaartuigen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren) moeten zich minstens 4 uur voor het aanlopen van of het vertrekken uit een kusthaven melden aan Vessel Traffic Service Scheldemonden. <KB 2005-09-17/61, art. 20, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  § 2. Zij dienen gebruik te maken van de diensten van een loods bevoegd voor het af te leggen traject.
  § 3. De checklist voorzien in bijlage 6 dient bij het aan boord komen van de loods nauwkeurig en waarheidsgetrouw ingevuld te zijn en moet aan hem afgegeven worden.

  Art. 25. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> De melding bedoeld in artikel 24, § 1, dient te omvatten :
  1° de gegevens voorzien in bijlage 5 onder de punten 1 tot en met 5 en 9;
  2° de opgave van broei, brand, schade aan het zeeschip of lading of een vermoeden daarvan;
  3° de mededeling van eventuele tekortkomingen of voorvallen die de normale veilige bestuurbaarheid van het zeeschip kunnen verminderen, een veilige en vlotte doorvaart nadelig kunnen beïnvloeden of een gevaar kunnen meebrengen voor het milieu.

  Art. 26. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. De kapitein van een (vaartuig dat gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoert) dient er zorg voor te dragen : <KB 2005-09-17/61, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  1. dat het vervoer geschiedt met inachtneming van de I.M.D.G. Code, de I.M.O.Code of Safe Practice for Solid Bulk Cargoes, de I.M.O. Gas Carrier Code en de I.M.O. Bulk Chemical Codes;
  2. dat aan boord van het zeevaartuig doeltreffende maatregelen zijn genomen ter voorkoming en bestrijding van brand overeenkomstig het bepaalde hij of krachtens S.O.L.A.S.;
  3. dat in overeenstemming met de eisen van goed zeemanschap de nodige maatregelen worden getroffen en er aan boord schriftelijke instructies aanwezig zijn, conform met de door de I.M.O. terzake gegeven aanbevelingen, die aangeven welke maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van de gevaarlijke stoffen die worden vervoerd indien zich een ongeval of een voorval voordoet dat gevaar kan opleveren;
  4. dat nadere aanwijzingen gegeven door de bevoegde autoriteit in aanvulling op de voorzieningen van dit hootdstuk, worden opgevolgd;
  5. dat er steeds marifoonverbinding met de dienst van het loodswezen te Oostende wordt gehandhaafd;
  6. dat de voorschritten voor de seinvoering voorzien in bijlage I worden toegepast.
  § 2. De kapitein van een zeetankschip beladen met vloeibaar gemaakte gassen in bulk die onder de I.M.O. Gas Carrier Code vallen, moet bovendien volgende voorschriften in acht nemen :
  1° er dienen voldoende bekwame bemanningsleden beschikbaar te zijn om het vaartuig veilig te kunnen manoeuvreren;
  2° er dient zekerheid te bestaan dat in de tanks geen gevaarlijke overdruk aanwezig is;
  3° er dient onafgebroken marifoon luisterwacht te worden gehouden;
  4° de boordradar moet aanstaan;
  5° de tanks mogen niet schoongemaakt, ontgast en gespoeld worden zonder toestemming van de bevoegde overheid;
  6° het voornemen te ankeren dient te worden gemeld aan de dienst van het loodswezen te Oostende;
  7° de bouw en de uitrusting van het vaartuig moeten beantwoorden aan de I.M.O. Gas Carrier Code en er dienen aan boord geldige bescheiden aanwezig te zijn, ten bewijze daarvan en die zijn afgegeven door of vanwege de vlaggestaat en welke steeds op eerste vordering ter inzage dienen te worden afgegeven aan de bevoegde autoriteiten.

  Art. 26bis. <Ingevoegd bij KB 2005-09-17/61, art. 22; Inwerkingtreding : 11-10-2005> § 1. Gevaarlijke of verontreinigende stoffen mogen in een haven van de Belgische kust niet voor vervoer worden aangeboden of aan boord van een vaartuig, ongeacht de grootte, worden genomen voordat de kapitein of de reder of beheerder van een vaartuig een verklaring met de in bijlage 9 vermelde informatie heeft ontvangen.
  Het is de taak van de verlader om deze verklaring aan de kapitein, de reder of beheerder van een vaartuig te bezorgen en ervoor te zorgen dat de voor vervoer aangeboden lading werkelijk die is waarover overeenkomstig het eerste lid verklaring werd afgelegd.
  § 2. § 1 is niet van toepassing op :
  a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst zijn bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
  b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
  c) bunkers van minder dan 5 000 ton, scheepsvoorraden en scheepsuitrusting voor gebruik aan boord.

  Art. 27. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. Bij incidenten of omstandigheden op zee die een bedreiging vormen voor de kust of daarmede samenhangende belangen, dient de gezagvoerder van het schip aan de radarcentrale te Zeebrugge onverwijld informatie te verstrekken over de bijzonderheden van het incident alsmede de gegevens voorzien in bijlage 5.
  De meldingsplicht ten aanzien van de gegevens voorzien in bijlage 5 wordt als nagekomen beschouwd indien de gezagvoerder mededeelt welke bevoegde instantie binnen de Gemeenschap deze vereiste gegevens bewaart.
  § 2. De in § 1 bedoelde kennisgeving moet geschieden overeenkomstig (I.M.O. resolutie A.851(20)) en vindt ten minste onder alle in die resolutie beschreven omstandigheden plaats. <AR 2001-06-25/32, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 04-08-2001>
  § 3. Loodsen die een schip bij het aanleggen, het afvaren of het manoeuvreren begeleiden lichten de radarcentrale te Zeebrugge onverwijld in, wanneer zij gebreken constateren die de veilige vaart van het schip in gevaar kunnen brengen.

  HOOFDSTUK IV. <voorheen hoofdstuk III; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> _ Instandhouding van scheepvaartwegen, havens en de stranden van de Belgische kust.

  Art. 28. <voorheen art. 21; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; ED : 13-09-1995> § 1. Het is verboden zonder bijzondere machtiging vanwege de ambtenaren of bedienden van de overheid enig werk in de Belgische territoriale zee, in de havens of op de stranden van de Belgische kust uit te voeren of er om het even welke materialen of voorwerpen, daaronder begrepen de op het strand geworpen wrakken, weg te halen.
  § 2. Het is verboden:
  1° onverminderd het bepaalde in de wetgeving op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, in de Belgische territoriale zee, in de havens van de Belgische kust of op de stranden enig voorwerp te werpen, neer te leggen, te laten drijven of weglopen, waardoor de bodem verhoogd, de scheepvaart gehinderd of de vrije afloop van water belemmerd kan worden; enige vaste of vloeibare stof, onder andere, olie of olieafval en chemische of radio-actieve produkten of afvalstoffen, waardoor de wateren kunnen verontreinigd worden, uit te storten. De terzake door de ambtenaren of bedienden van de overheid gegeven bevelen worden zonder verwijl ingevolgd;
  2° zich op de kunstwerken of in de aanhorigheden van de havens, die niet voor het publiek verkeer openstaan, te begeven, tenzij met toestemming van de met de bewaking daarvan belaste ambtenaren of bedienden van de overheid;
  3° behoudens bijzondere machtiging van de ambtenaren of bedienden van de overheid, een vaartuig ten behoeve van herstellingen of om enige andere reden op het droge te zetten. Herstellingen mogen enkel uitgevoerd worden op de plaatsen en in de voorwaarden bepaald in voormelde machtiging;
  4° behoudens bijzondere machtiging van de ambtenaren of bedienden van de overheid, vaartuigen andere dan vissersvaartuigen en pleziervaartuigen op kielbanken, balkroosters en hellingen te plaatsen. De vissersvaartuigen en pleziervaartuigen mogen er geplaatst worden in de voorwaarden te bepalen door deze ambtenaren en bedienden, zonder dat de duur van de plaatsing vijftien dagen te bovengaat;
  5° afbraak- en afvalresten, wrakken, wrakstukken of dergelijke voorwerpen op het openbaar domein te plaatsen of achter te laten, alsook in volledig verwaarloosde toestand verkerende vaartuigen in de havens van de Belgische kust te laten liggen. Indien de veiligheid van de scheepvaart of de vrijwaring van het regime of de instandhouding van het vaarwater dit vereist kunnen de in dit lid bedoelde voorwerpen, na schriftelijke ingebrekestelling van de belanghebbenden, door de overheid en bij gemotiveerde beslissing, ambtshalve vernield worden. Van het te vernielen materiaal wordt een gedagtekende inventaris opgemaakt.
  § 3. De kapiteins of schippers nemen alle nodige voorzorgen geen dijken, havenkunstwerken of werk in uitvoering te beschadigen. Het is onder meer verboden met bootshaken te steken in het paalwerk, het metselwerk, de kantstukken of de stenen glooiingen van de dokken. Voor het meren mag geen gebruik gemaakt worden van kettingen, tenzij deze omkleed zijn met woeling.
  § 4. Ieder kapitein of schipper, die zijn vaartuig voert in wateren die noch door reglementaire bepalingen noch door de betonning voor de scheepvaart aangewezen zijn, doet zulks op eigen risico en gevaar, onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikelen 22 en 28, § 1.

  Art. 29. <voorheen art. 22; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. De eigenaar, exploitant, kapitein of schipper van een vaartuig dat aan de grond gelopen of gezonken is, moet onmiddellijk na het ongeval:
  1° langs de kortste weg van het feit kennis geven aan de dichtstbijzijnde ambtenaar of bediende van de overheid, die onmiddellijk, voor zover het geen (de met de politie te water belast overheid van de federale politie) of van het loodwezen is, deze laatste diensten hiervan op de hoogte stelt; <KB 1999-05-03/88, art. 18,§1, 006; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
  2° het aan de grond zittend of gezonken vaartuig door middel van de reglementair voorgeschreven lichten en dagmerken aanwijzen.
  § 2. Personen die wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen hebben laten zinken zijn eveneens onderworpen aan het bepaalde van § 1, 1°. Zij moeten tevens het bepaalde van § 1, 2°, naleven, tenzij de ambtenaar of bediende van de overheid bepaald bij artikel 38, § 1, 1°, oordeelt dat het gezonken wrak, wrakstuk, tuig of voorwerp geen gevaar of belemmering voor de scheepvaart kan uitmaken.
  § 3. Ieder persoon is verplicht langs de kortste weg de dichtstbijzijnde ambtenaar of bediende van de overheid in te lichten over de aanwezigheid van wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen voor zover deze niet officieel gekend zijn.
  § 4. De eigenaar, de kapitein of schipper van een vaartuig dat aan de grond gelopen of gezonken is, moet dit, binnen de termijn opgelegd door de ambtenaar of bediende van de overheid, vlot brengen en verwijderen naar een daartoe door deze laatste aangewezen plaats.
  Wrakken, wrakstukken, gezonken voorwerpen of tuigen moeten eveneens onder dezelfde voorwaarde door de eigenaar gelicht en aan wal gebracht, en buiten het openbaar domein verwijderd worden.
  § 5. Als niet voldaan is aan de voorschriften van de § 1, 2 en 4, of in spoedgevallen, waarover het Bestuur der Waterwegen oordeelt, of als de eigenaar, de kapitein of de schipper onbekend zijn, kan het Bestuur der Waterwegen ambtshalve en op risico van de eigenaar, de kapitein of de schipper, de in § 1, 2° en in § 4, bepaalde verrichtingen uitvoeren en alle nodige maatregelen treffen voor de veiligheid of de vrijheid van de scheepvaart, de vrijwaring van het regime van het vaarwater of de instandhouding van het vaarwater. Eventueel wordt het vaartuig of dezes overblijfselen, wrak, wrakstukken, gezonken tuig of voorwerp ambtshalve vernield.
  Van het geborgen materiaal wordt een gedagtekende inventaris opgemaakt.

  § 6. De eigenaar, de kapitein of schipper is, onverminderd de toepassing van artikel 46 en volgende van Boek II van het Wetboek van Koophandel, aan de Staat de terugbetaling verschuldigd van de voor de uitvoering van de in § 5 bedoelde verrichtingen en maatregelen (vernieling inkluis) gedane kosten.
  De eigenaar, de kapitein of schipper moet alle sommen terugbetalen welke de Staat voorgeschoten heeft voor de uitvoering van de in § 5 bedoelde verrichtingen en maatregelen (vernieling inkluis).
  Het bedrag van die voorschotten wordt in een staat vastgesteld, welke door de overheid voor waar en echt wordt verklaard.
  § 7. De overheid eist vóór alle uitvoering van de in § 5 bedoelde verrichtingen en maatregelen (vernieling inkluis), dat de eigenaar, kapitein of schipper de tot dekking van de kosten dier uitvoering nodig geachte som in bewaring geeft. Het in bewaring geven van die som kan, zonder kosten voor de overheid, vervangen worden door het stellen van een borg, die zij toereikend oordeelt.
  § 8. Is de in bewaring gegeven som of de borg ontoereikend, dan worden het geredde vaartuig of dezes overblijfselen of de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen genomen als pand voor de gezamenlijke door de Staat voorgeschoten kosten. De overheid beveelt de verkoop tot beloop van het bedrag der voorschotten of van het bedrag ervan dat niet gedekt is door de in bewaring gegeven som of de borg. Wat niet verkocht is geworden, blijft ter beschikking van belanghebbenden.
  § 9. Indien het geredde vaartuig of dezes overblijfselen, of de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen door de eigenaar, de kapitein of schipper niet worden teruggenomen of indien deze laatsten onbekend zijn, doet de overheid ze verkopen na aan de verkoop de in deze paragraaf voorziene publiciteit te hebben gegeven. De opbrengst van de verkoop wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van de betrokken eigenaar, kapitein of schipper indien deze gekend is, of van degene die van zijn rechten zal doen blijken, alles na aftrek van het bedrag der onder § 8 bedoelde voorschotten. De overheid bemoeit zich niet met het verdelen onder belanghebbenden van de aldus geconsigneerde sommen.
  Biedt zich geen enkel koper aan, dan beschikt de Staat over het geredde vaartuig of dezes overblijfselen of over de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen.
  De overheid laat vóór de in deze paragraaf bedoelde verkoop, in twee der meest verspreide nieuwsbladen van de plaats en met vijftien dagen tussentijd, van de verrichte redding twee kennisgevingen verschijnen, met opgave van de kenmerken en kentekens van dit materiaal en het verzoek tot elke persoon, die er aanspraak op maakt, zijn vordering in te dienen binnen dertig dagen te rekenen van de datum van verschijning van de laatste kennisgeving. Na het verstrijken van die termijn beschikt de Staat over het geredde vaartuig of dezes overblijfselen, of over de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen.
  § 10. Het geredde vaartuig of dezes overblijfselen, de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen worden onder de bewaking van de toldienst gesteld op de plaats welke deze aanwijst. De verkoop ervan geschiedt onder voorwaarde dat de tolformaliteiten voor de aangifte, het onderzoek en het betalen van de in voorkomend geval verschuldigde rechten en taksen vervuld worden voor alle weghaling of inbezitneming door belanghebbenden.

  Art. 30. <voorheen art. 23; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> De bepalingen van artikel 22, §§ 4 tot 10, zijn toepasselijk op de lading van het aan de grond zittende of gezonken vaartuig.

  Art. 31. <voorheen art. 24; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Ieder kapitein of schipper, die gelijk welk vast of drijvend bebakeningsinstrument heeft beschadigd dan wel dit uit welke oorzaak ook heeft verplaatst, is gehouden daarvan onmiddellijk per radio kennis te geven aan het naastbijliggend radio-kuststation.
  De kapitein of schipper van een vaartuig dat niet met een radiotoestel is uitgerust, moet het voorval dadelijk bij aankomst in de eerste aanleghaven mondeling of schriftelijk bij de Dienst van het Loodswezen te Oostende aangeven.

  Art. 32. <voorheen art. 25; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Eenieder is verplicht langs de kortste weg de dichtstbijzijnde overheid kennis te geven van het wegdrijven of verdwijnen van lichtboeien en van de defecte werking van lichtboeien en bakens.

  Art. 33. <voorheen art. 26; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Het vervoer van ontplofbare, ontvlambare, radio-actieve en andere gevaarlijke stoffen is onderworpen aan bijzondere bepalingen.

  HOOFDSTUK V. <voorheen hoofdstuk IV; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> _ Overheidsmaatregelen.

  Art. 34. <voorheen art. 27; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; ED : 13-09-1995> § 1. Wanneer een vaartuig onvoldoende gemeerd is of de doorvaart kan hinderen, telkens als in de havens of op de reden van de Belgische kust werken van openbaar nut uitgevoerd of de vrijheid en de veiligheid van de scheepvaart verzekerd dienen te worden, zijn de ambtenaren of bedienden van de overheid gemachtigd aan de eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers, de maatregelen op te leggen welke zij nodig achten zelfs dan wanneer die niet bij de reglementen zijn voorzien.
  § 2. De ambtenaren en bedienden van de overheid zijn gemachtigd de maatregelen op te leggen welke zij nodig achten om de waterafvoer te vergemakkelijken of het vaarwater te vrijwaren.
  § 3. De eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers moeten de krachtens de paragrafen 1 en 2 opgelegde maatregelen onmiddellijk opvolgen. Doen zij dat niet of zijn zij afwezig, dan kunnen de opgelegde maatregelen ambtshalve worden uitgevoerd.
  § 4. De kapiteins, schippers en gebruikers van vaartuigen zijn gehouden tot inachtneming, wat de scheepvaart betreft, van alle door de overheid medegedeelde berichten, inzonderheid de berichten aan zeevarenden of de dringende berichten aan zeevarenden en, wat de veiligheid van de niet aan het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdend zeevaartinspectiereglement onderworpen vaartuigen betreft, van de maatregelen opgelegd door de ambtenaren en bedienden van de overheid.

  Art. 35. <voorheen art. 28; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. Wanneer een vaartuig onvoldoende gemeerd is, of derwijze ligt dat het gevaar oplevert voor de kunstwerken van de havens of van de kust, of wanneer het dreigt te zinken, zijn de ambtenaren of bedienden van de overheid gemachtigd aan de eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers de maatregelen die zij nodig achten op te leggen, zelfs dan wanneer die niet bij de reglementen zijn voorzien.
  § 2. De eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers moeten de krachtens paragraaf 1 opgelegde maatregelen onmiddellijk opvolgen. Doen zij dat niet of zijn zij afwezig, dan kunnen de opgelegde maatregelen ambtshalve worden uitgevoerd.
  § 3. De ambtenaren of bedienden van de overheid hebben het recht de meertouwen van de gemeerde vaartuigen los te maken of te kappen wanneer zij die maatregel noodzakelijk achten.

  Art. 36. <voorheen art. 29; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; ED : 13-09-1995> De maatregelen opgelegd door de ambtenaren of bedienden van de overheid, overeenkomstig dit reglement, worden uitgevoerd op kosten en risico van de eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers.

  HOOFDSTUK VI. <voorheen hoofdstuk V; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> _ Diverse bepalingen.

  A. Pleziervaart en strandvisserij.

  Art. 37. <voorheen art. 30; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. Roeiboten van welke omvang ook, en pleziervaartuigen waarvan de lengte over alles 6 m of minder bedraagt, mogen geen zee kiezen indien buitengaats de van uit zee waaiende wind kracht 3 Beaufort of de van uit land waaiende wind kracht 4 Beaufort heeft of te boven gaat.
  § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op pleziervaartuigen die aan georganiseerde wedstrijden of zeilkursussen deelnemen, op voorwaarde dat die vaartuigen er onder afdoend toezicht van de organisatoren blijven.
  § 3. Voor de toepassing van § 1 wordt een wind welke op een gegeven plaats evenwijdig met de Belgische kust waait beschouwd als een van uit zee waaiende wind.
  § 4. In de havens wordt het uit paragraaf 1 volgende verbod aangeduid, bij dag door een zwarte figuur bestaande uit twee kegels met de punten tegen elkaar, de ene loodrecht onder de andere, bij nacht door een rondom zichtbaar violet flikkerlicht.
  Deze seinen worden gehesen of vertoond:
  a) te Oostende, Zeebrugge en Nieuwpoort: op de seinmast geplaatst op het loodswezengebouw;
  b) te Blankenberge: op de mast geplaatst bewesten het vuurtorengebouw.
  Op plaatsen van de kust vermeld in artikel 32 wordt het in § 1 voorzien verbod met een passend dagmerk kenbaar gemaakt door de gemeentelijke overheden.

  Art. 37bis. <Ingevoegd bij KB 1999-05-04/58, art. 1; Inwerkingtreding : 22-05-1999> Zeilplanken mogen geen zee kiezen (bij windkracht 7 of meer) (op de schaal van Beaufort). Plankzeilen is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang. <KB 2001-05-31/43, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 20-06-2001>

  Art. 38. <voorheen art. 31; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1 Met het oog op de veiligheid van de scheepvaart mogen geen wedstrijden of sport- of ontspanningsactiviteiten in groepsverband in de Belgische territoriale zee gehouden of verricht worden behoudens vergunning vanwege de Nautisch Directeur van de Dienst van het Loodswezen. Deze vergunning moet ten minste drie weken voor de vastgestelde datum worden aangevraagd. Deze ambtenaar beslist onverwijld over de aanvraag en bepaalt de voorwaarden waarin de wedstrijden of de activiteiten mogen gehouden worden.
  § 2. Behoudens het bepaalde in § 3 zijn de in § 1 bedoelde wedstrijden of activiteiten alsook het beoefenen van waterski of plankzeilen in de havens van de Belgische kust verboden.
  § 3. In de havens van de Belgische kust mogen zeilkursussen slechts worden gegeven in de voorwaarden bepaald in § 1. Indien volgens het soeverein oordeel van de bevoegde overheid de veiligheid van de scheepvaart het toelaat mogen die voorwaarden afwijkingen inhouden ter zake van het bepaalde in artikel 10, § 3, 8 en 9.

  Art. 39. <voorheen art. 32; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. Langs de stranden van de Belgische kust mag geen vaartuig zee kiezen tenzij vanaf de plaatsen die door de ambtenaren van het Bestuur der Waterwegen worden aangeduid en binnen de grenzen die door hen zijn vastgelegd geworden. (Zeilplanken mogen zich bovendien aldaar niet verder van de kust verwijderen dan tot op een afstand van een halve zeemijl (negenhonderd zesentwintig meter).) <KB 1999-05-04/58, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-05-1999>
  § 2. Behalve op de krachtens de eerste paragraaf aangeduide plaatsen mag geen vaartuig, behoudens bij overmacht, het strand (of permanente havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) naderen op een afstand van minder dan 200 m. <KB 2007-06-08/34, art. 1, 1°, 011; Inwerkingtreding : 26-08-2007>
  (§ 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde afstanden worden gerekend vanaf de laagwaterlijn (of vanaf de permante havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) zoals deze op de op grote schaal uitgevoerde officiële Belgische zeekaarten (zijn aangegeven).) <KB 1999-05-04/58, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-05-1999> <KB 2007-06-08/34, art. 1, 2 en 3°, 011; Inwerkingtreding : 26-08-2007>

  Art. 40. <voorheen art. 33; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. Het uitzetten vanaf het strand van netten of lijnen met haken mag slechts geschieden:
  1° buiten de krachtens artikel 32, § 1, aangeduide plaatsen en de zones die door de gemeenteoverheid als badzones worden aangeduid; en
  2° in een zone waarvan de zeewaartse grens niet verder reikt dan op een afstand van 150 m te rekenen vanaf de laagwaterlijn waarvan sprake in artikel 32, § 3.
  Die netten of lijnen worden op afdoende wijze door middel van een of meerdere goed zichtbare gele merken gesignaleerd.
  § 2.
  1° Netten, andere dan treilnetten, of lijnen met haken, welke vanaf vaartuigen worden uitgezet, moeten bestendig aan een bemand vaartuig worden vastgemaakt. De netten mogen per vaartuig niet langer zijn dan 50 m. Het vaartuig voert bovendien de lichten en dagmerken bepaald bij Voorschrift 26, e.
  2° Voor zover het praktisch mogelijk is, wordt het in deze paragraaf bedoelde visgerei gemerkt met de letters en het nummer van het vaartuig waartoe het behoort.

  B. Andere activiteiten.

  Art. 41. <voorheen art. 34; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Het is verboden op vogels en op waterwild te schieten hetzij vanaf een vaartuig dat zich in de Belgische territoriale zee of in de havens van de Belgische kust bevindt hetzij van op kunstwerken of in de aanhorigheden van deze havens of van op de stranden van de Belgische kust.

  Art. 42. <voorheen art. 35; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Het is verboden in de territoriale zee of in de havens van de Belgische kust vaartuigen te gebruiken voor enige vorm van geluidsreclame.

  Art. 43. <voorheen art. 36; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Het is verboden in de havens van de Belgische kust te zwemmen of te baden.

  HOOFDSTUK VII. <voorheen hoofdstuk VI; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> _ Eindbepalingen.

  Art. 44. <voorheen art. 37; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Elk vaartuig waarop dit besluit van toepassing is, moet een exemplaar van dit reglement en een bijgewerkte officiële kaart van de belgische territoriale zee aan boord hebben. Deze bepaling is niet van toepassing op vaartuigen bestemd voor strandvermaak alsook op zeilplanken.

  Art. 45. <voorheen art. 38; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. Moeten, onder voorbehoud van het bepaalde in § 2 tot 6, toezien dat dit reglement wordt uitgevoerd:
  1° De ambtenaren van het Bestuur der Waterwegen;
  (2° a) de ambtenaren belast met de scheepvaartcontrole;
  b) de met de politie te water belaste overheid van de federale politie;
  c) de ambtenaren van het loodswezen;) <KB 1999-05-03/88, art. 18,§2, 006; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
  3° De ambtenaren van het Bestuur van Douanen en Accijnzen;
  4° De havenkapiteins, de adjunct-havenkapiteins, de havenluitenanten, de sasmeesters en kaaimeesters binnen de grenzen van hun ambtsgebied, met dien verstande dat de havenkapitein van Oostende en dezes ondergeschikten eveneens mogen toezien op de uitvoering van dit reglement:
  a) in de toegansgeul tot het nieuwe vissersdok van de meest westelijke punt van de noordelijke kaaimuur tot de westelijke punt van de zuidelijke kaaimuur;
  b) in de toegansgeul tot de nieuwe handelsdokken;
  c) in het tijdok en het Montgomerydok.
  5° De door de stad Brugge aangestelde havenmeester binnen de grenzen van de vissershaven van Zeebrugge, die voor de uitvoering van dit reglement, aanzien wordt als omvattende het dok der vissersvaartuigen tot aan de buitengrens zijner toegangsgeul;
  6° De leden van de rijkswacht;
  7° De ambtenaren en bedienden van de gemeentepolitie in de gemeenten op wier grondgebied zich een haven bevindt of die langs de kust gelegen zijn.
  § 2. Onverminderd het bepaalde in de volgende paragrafen moeten alleen de hierna aangewezen ambtenaren toezien op de toepassing van de achter hun aanwijzing vermelde bepalingen:
  1° de ambtenaren van het bestuur der waterwegen: artikel 21, § 1 en 2, 3° en 4°, artikel 22, § 4 tot 10, artikel 23 en artikel 27 § 2;
  2° de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart bedoeld in § 1, 2°: artikel 9, artikel 10 met uitzondering van paragaaf 3, artikel 13, artikel 15, artikel 16, artikel 19 § 1, 7°, artikel 20 § 4, artikel 25, artikel 27 § 1 en artikel 28 § 1 en 3;
  3° de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart bedoeld in § 1, 2°, a (zeevaartpolitie): artikel 27 § 3, laatste volzin, artikel 28 § 2, laatste volzin, en artikel 35;
  4° de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart bedoeld in § 1, 2°, b (loodswezen): artikel 5 § 1, artikel 11, artikel 30 en artikel 31, het voorlaatste artikel voor zover het vertrek plaats heeft vanuit de havens van de Belgische kust.
  § 3. Onder voorbehoud van het bepaalde in paragraaf 4 moeten de hierna aangewezen ambtenaren toezien op de toepassing van de achter hun aanwijzing vermelde bepalingen: de ambtenaren van het Bestuur der Waterwegen alsook de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart onderscheidenlijk aangewezen in paragraaf 1, 1° en 2°: artikel 10 § 4, artikel 14, artikel 17 en artikel 18.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1, 4°, zien de aldaar vermelde ambtenaren niet toe op de uitvoering van het bepaalde in artikel 5, § 1, in artikel 15, in artikel 21, § 1 en 2, 3° en 4°, in artikel 22, §§ 4 tot 10, in artikel 23, in artikel 27, § 2, in artikel 30 en in artikel 32.
  Wat de haven van Zeebrugge betreft, geldt de hiervoren vermelde afwijking niet voor de toepassing van artikel 5, § 1, van artikel 15 en van artikel 27, § 2.
  Wat de haven van Oostende betreft, zien de bedoelde ambtenaren toe op de uitvoering van dit reglement in de strook van het Montgomerydok gelegen tussen de zuidelijke steiger aan de westkant van het dok en de Mercatorsluis, doch uitsluitend om het verkeer naar of vanuit die sluis te regelen.
  § 5. De in § 1, 5°, bedoelde havenmeester ziet toe dat dit reglement, met uitzondering van de artikelen en paragrafen welke in § 4, eerste lid, vermeld zijn, wordt uitgevoerd.
  § 6. In de havenzone omschreven in artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 januari 1980 zijn alleen de ambtenaren van de Regie voor Maritiem Transport of hun afgevaardigden bevoegd om de lig-, meer- of ankerplaatsen toe te wijzen of deze te veranderen.
  Niettemin zijn in de gevallen waar de algemene veiligheid dit vereist de ambtenaren bedoeld in paragraaf 2, 4°, bij voorrang bevoegd om deze plaatsen toe te wijzen of te veranderen.
  § 7. De gemeentebesturen en alle met openbaar gezag beklede personen moeten, indien zij daartoe verzocht worden, aan de in voorgaande paragrafen vernoemde personen hun hulp verlenen voor de toepassing van dit reglement.

  Art. 46. <voorheen art. 39; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. <wijzigingsbepaling>
  § 2. <wijzigingsbepaling>

  Art. 47. <voorheen art. 40; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Opgeheven worden:
  1° het koninklijk besluit van 31 mei 1968 houdende politie- en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juni 1977;
  2° artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 juni 1977 ter uitvoering van de wet van 24 november 1975 houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee 1972 bijgevoegd Reglement en zijn Bijlagen.

  Art. 48. <voorheen art. 41; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 1981.

  Art. 48bis. <Ingevoegd bij KB 2005-09-17/61, art. 23; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Voor binnenschepen die in de Belgische territoriale zee varen treden de artikelen 7quater en 7septies in werking op 1 juli 2007.

  Art. 49. <voorheen art. 42; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Onze Minister van Verkeerswezen en Onze Minister van Openbare Werken en Institutionele Hervormingen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  Art. N1. Bijlage 1 (art. 15, § 1)
  1. Zeeschepen welke de volgende gevaarlijke goederen vervoeren:
  a) meer dan 100 kg (bruto-gezamelijk) stoffen van de IMCO klasse 1, gevarengroep 1.1 en 1.5.;
  b) meer dan 1 000 kg (bruto-gezamelijk) stoffen van de IMCO klasse 1, gevarengroep 1., 1.3. en 1.4. van stoffen van klasse 5.2.;
  c) meer dan 1 000 kg (bruto-gezamenlijk) blauwzuur, boortrichloride, boortrifluoride, broomwaterstof, chloor, chloorcyamide, chloortrifluoride, diboraan, dicyaan, dimethylamine, ethylamine, ethyleenoxyde, fosgeen, fluor, fluorwaterstof, methylacetyleen/propadieen mengsels, monomethylamine, nitrosylchloride, oliegas, silicium titrafluoride, stikstofmonoxyde, stikstofmonoxyde-stikstoftrioxyde mengsels, stikstoftrioxyde, trimethylamine, watergas, zoutzuurgas, zwaveldioxyde, zwavelwaterstof,
  moeten zowel tijdens de vaart als bij stilliggen de navolgende dagtekens en lichten voeren:
  (i) des daags: de seinvlag B van het Internationale Seinboek met afmetingen van ten minste 130 X 170 cm;
  (ii) des nachts: twee rondschijnende helder rode lichten op gelijke hoogte, op een onderlinge afstand van 1 m;
  de lichten moeten ononderbroken licht van gelijke sterkte geven.
  2. De dagtekens en lichten moeten worden gevoerd op een plaats waar zij het beste gezien kunnen worden en op een hoogte van ten minste 6 m boven het dek.
  3. Indien het zicht minder dan 2 000 m bedraagt moeten de voor des nachts voorgeschreven lichten ook des daags worden gevoerd.
  4. Het bepaalde is eveneens van toepassing op zeeschepen die in deze bijlage begrepen stoffen in bulk hebben vervoerd, zolang zij niet ontdaan zijn van resten, daaronder begrepen gassen en dampen, die gevaar kunnen opleveren.

  Art. N2. Bijlage 2 (art. 15, § 2)
  Binnenschepen welke de volgende gevaarlijke goederen vervoeren:
  1. 1 000 kg bruto-gewicht, per stof van de navolgende gassen van klasse I d van bijlage A van het A D N R:
  i) boriumfluoride en fluor van cijfer 3;
  ii) stoffen van de cijfers 5 en 8 a);
  iii) chloorwaterstof van cijfer 10;
  iv) ammoniak van cijfer 14.
  2. 5000 kg bruto-gewicht, gezamenlijk, van brandbare vloeistoffen van categorie Kx van klasse IIIa van bijlage A van het A D N R;
  3. 1 000 kg bruto-gewicht, per stof van giftige stoffen vallende onder 1,2 a), 2b), 3, 4 a), 12 a), 12 b), 12 d), 13, 14, 31 en 81 van klasse IV a van de bijlage A van het A D N R;
  4. 1 000 kg bruto-gewicht, per stof van bijtende stoffen vallende onder 6 a), 7, 9 en 14 van klasse V van de bijlage A van het A D N R,
  moeten de volgende lichten of het volgend dagmerk voeren:
  een tussen twee ongeveer 1 m boven elkaar aangebrachte lantaarns verspringend helder rood licht dat in elke lantaarn 20 tot 25 keer per minuut wordt ontstoken en een dagmerk bestaande uit twee boven elkaar aangebrachte rode kegels met de punt naar beneden.
  Het bepaalde is eveneens van toepassing op binnenschepen die in deze bijlage begrepen stoffen in tanks hebben vervoerd, zolang zij niet ontdaan zijn van resten, daaronder begrepen gassen en dampen, die gevaar kunnen opleveren.

  Art. N3. Bijlage 3 (art. 15, § 2)
  Binnenschepen welke de volgende gevaarlijke goederen vervoeren:
  Meer dan 50 kg bruto gewicht, per klasse, van stoffen van klasse Ia, Ib, Ic of VII (met uitzondering van stoffen vallende onder Ia, 15°, Ic, 1°a) en VII,50°) van bijlage A van het A D N R.,
  moeten het volgend licht of dagmerk voeren:
  een helder rood licht en een dagmerk bestaande uit een rode kegel met de punt naar beneden.
  Het bepaalde is eveneens van toepassing op binnenschepen die in deze bijlage begrepen stoffen in tanks hebben vervoerd, zolang zij niet ontdaan zijn van resten, daaronder begrepen gassen en dampen, die gevaar kunnen opleveren.

  Art. N4. Bijlage 4 (art. 15, § 2)
  Binnenschepen welke de volgende gevaarlijke goederen vervoeren:
  1. Meer dan 5 000 kg bruto gewicht, per klasse van niet in bijlage 2 begrepen brandbare gassen (F) van klasse Id en van stoffen van kategorie K0 en K1 van klasse IIIa;
  2. Meer dan 25 000 kg bruto gewicht, per klasse, van stoffen van klasse Ie, II, IIIb, IIIc (met uitzondering van stoffen vallende onder IE5,II 12) tot 15), IIIb, 1) en 9) tot 11), IIIc, 11) en van stoffen van kategorie K2 van klasse IIIa,
  moeten het volgend licht of dagmerk voeren:
  één helder blauw licht en een dagmerk bestaande uit een blauwe kegel met de punt naar beneden.
  Het bepaalde is eveneens van toepassing op binnenschepen die in deze bijlage begrepen stoffen in tanks hebben vervoerd, zolang zij niet ontdaan zijn van resten, daaronder begrepen gassen en dampen, die gevaar kunnen opleveren.

  Art. N5. <KB 1998-12-09/39, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1998> Gegevens betreffende de (vaartuigen) die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren. <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  1. (Naam en roepnaam van het vaartuig en eventueel IMO-identificatienummer of MMSI-nummer.) <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  2. Nationaliteit van het (vaartuig). <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  3. Lengte en diepgang van het (vaartuig). <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  4. Haven van bestemming.
  5. (Voor een vaartuig dat een haven van de Belgische kust verlaat : verwachte tijd van afvaart uit de haven van vertrek of het loodsstation, zoals verlangd door de bevoegde instantie, en verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming.) <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; ED : 11-10-2005>
  6. (Voor een vaartuig dat vanuit een buiten de Europese Gemeenschap gelegen haven komt en naar een haven van de Belgische kust vaart : verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming of bij het loodsstation, zoals verlangd door de bevoegde instantie.) <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  7. Geplande vaarroute.
  8. De correcte technische benamingen van de gevaarlijke of verontreinigende goederen, de identificatienummers van de Verenigde Naties (UN), indien van toepassing, de IMO-gevarenklasse overeenkomstig de IMDG-, IBC- en IGC-codes en, in voorkomend geval, (de klasse van het vaartuig volgens de INF-code, de hoeveelheden van die stoffen en hun plaats aan boord en, indien zij worden vervoerd in voor vrachtvervoer bestemde transporteenheden, behalve tanks), de identificatiemerktekens daarvan. <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  9. Bevestiging dat zich aan boord een lijst of een manifest of een passend ladingsplan bevindt met een precieze opgave van de vervoerde gevaarlijke en verontreinigende goederen en hun plaats in het (vaartuig). <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  10. (Totaal aantal opvarenden.) <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
  (11. Adres waar uitgebreide informatie over de lading kan worden verkregen.) <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>

  Art. N6. <KB 1998-12-09/39, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1998> Checklist voor schepen.
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 25-12-1998, p. 41220 - 41222).

  Art. N7. <voorheen art. N5; KB 1996-02-09/38, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Bijlage 7 <voorheen bijlage 5; KB 1996-02-09/38, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> : IALA Betonningssysteem (zone "A")
  <KB 1987-06-04/35, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 1987-07-28>
  <Zie B.St. 18-07-1987, p. 11150>

  Art. N8. <Ingevoegd bij KB 2005-09-17/61, art. 25; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Bijlage 8. Gegevens die de reder, beheerder, agent of kapitein van een vaartuig op weg naar een haven van de Belgische kust meedeelt :
  1. Identificatie van het vaartuig (naam, roepnaam, IMO-identificatienummer of MMSI-nummer);
  2. Haven van bestemming;
  3. Verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming of bij het loodsstation zoals verlangd door de bevoegde instantie en verwachte tijd van afvaart uit die haven;
  4. Totaal aantal opvarenden.

  Art. N9. <Ingevoegd bij KB 2005-09-17/61, art. 26; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Bijlage 9.
  De verlader moet de volgende informatie over de lading verstrekken :
  a) de correcte technische benaming van de gevaarlijke of verontreinigende stoffen, de identificatienummers van de Verenigde Naties (UN), indien van toepassing; de IMO-risicoklassen overeenkomstig de I.M.D.G.-Code, de I.M.O. Bulk Chemical Code en de I.M.O. Gas Carrier Code en, in voorkomend geval, de klasse van het vaartuig die voor INF-ladingen als bedoeld in voorschrift VII/14.2 vereist is, de hoeveelheden van dergelijke stoffen en, wanneer zij worden vervoerd in voor vrachtvervoer bestemde laadeenheden, behalve tanks, de identificatienummers daarvan;
  b) het adres waar uitgebreide informatie over de lading kan worden verkregen.

 

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op de wet van 24 november 1975 houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bijgevoegd Reglement en zijn Bijlagen, opgemaakt te Londen op 20 oktober 1972 inzonderheid op artikel 2, § 4;
   Gelet op het advies van de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Verkeerswezen en van Onze Minister van Openbare Werken en Institutionele Hervormingen,
   .....
Erratum Tekst Begin

 

BEELD
1981001948
 
PUBLICATIE :
1981-10-27
bladzijde : 13738
 

ERRATA

 

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
 
BEELD
  • KB VAN 08-06-2007 GEPUBL. OP 16-08-2007
    (GEWIJZ. ART: 39)
BEELD
  • KB VAN 17-09-2005 GEPUBL. OP 11-10-2005
    (GEWIJZ. ART: 1; 3; 7BIS-7SEPT; 21; 22; 22BI; 23)
    (GEWIJZ. ART: 24; 26; 26BIS; 48BIS; N5; N8; N9)
BEELD
  • KB VAN 25-06-2001 GEPUBL. OP 04-08-2001
    (GEWIJZ. ART: 3; 27)
BEELD
  • KB VAN 31-05-2001 GEPUBL. OP 20-06-2001
    (GEWIJZ. ART: 37BIS)
BEELD
  • KB VAN 04-06-1999 GEPUBL. OP 14-08-1999
    (GEWIJZ. ART: 7)
BEELD
  • KB VAN 03-05-1999 GEPUBL. OP 16-07-1999
    (GEWIJZ. ART: 29; 45)
BEELD
  • KB VAN 04-05-1999 GEPUBL. OP 22-05-1999
    (GEWIJZ. ART: 37BIS; 39)
BEELD
  • KB VAN 09-12-1998 GEPUBL. OP 25-12-1998
    (GEWIJZ. ART: 3; N5; N6)
1996014051; 1996-03-23
  • KB VAN 09-02-1996 GEPUBL. OP 23-03-1996
    (GEWIJZ. ART: 3; 21-27; 28-49; N5; N6; N7)
1987014128; 1987-07-18
  • KB VAN 04-06-1987 GEPUBL. OP 18-07-1987

 

Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 9 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
Erratum       Franstalige versie

 

 

 

 

 

 

 

9 FEBRUARI 1996. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 augustus 1981 houdende <politie>- en <scheepvaartreglement> voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust.

Bron :

VERKEERSWEZEN
Publicatie : 23-03-1996 nummer : 1996014051 bladzijde : 06770
Dossiernummer : 1996-02-09/38
Inwerkingtreding : 13-09-1995

 

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-7
BIJLAGEN.
Art. N1, N2

 

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1981 houdende <politie>- en <scheepvaartreglement> voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust wordt aangevuld met de volgende leden :
  "11° exploitanten : reders, charteraars, beheerders of agenten van een schip, daaronder mede begrepen de kapitein;
  12° een schip dat bepaalde gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoert : ieder vrachtschip, ieder olie-, chemicaliën-, of gastanker, of passagiersschip dat de volgende goederen in bulk of in verpakte vorm vervoert :
  - deze omschreven in de I.M.D.G.-Code, in hoofdstuk 17 van de IBC Code en in hoofdstuk 19 van de IGC Code;
  - deze omschreven in de Bijlagen 1, 2 en 3 bij het Marpol Verdrag.
  13° I.M.O. : Internationale Maritieme Organisatie;
  14° I.M.D.G. Code : de meest recente versie van de Internationale maritieme Code voor gevaarlijke goederen opgemaakt door de I.M.O. en van artikel 108 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 mei 1985;
  15° I.M.O. Gas Carrier Code : de meest recente versie van de voorschriften voor bouw en uitrusting van zeeschepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren, uitgegeven door de I.M.O., en deze van het ministerieel besluit van 17 juli 1981 betreffende aanvullende voorschriften voor de bouw en de uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren;
  16° I.M.O. Bulk Chemical Code : de meest recente versie van de voorschriften voor bouw en uitrusting van zeeschepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, uitgegeven door de I M.O. en deze van het ministerieel besluit van 24 juni 1975 betreffende aanvullende voorschriften voor schepen die gevaarlijke stoffen in bulk vervoeren, laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 12 april 1983;
  17° Marpol Verdrag : de meest recente versie van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen en Bijlagen, opgemaakt te Londen op 2 november 1973 en het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen en Bijlage, opgemaakt te Londen op 17 februari 1978.".

  Art. 2. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een nieuw Hoofdstuk III ingelast, luidend als volgt :
  " HOOFDSTUK III. - Bepalingen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren.
  Artikel 21. § 1. Schepen die bepaalde gevaarlijke of verontreinigende stoffen in bulk of in verpakte vorm vervoeren en die vertrokken zijn uit een haven buiten de Gemeenschap gelegen met als bestemming een kusthaven, mogen die haven pas binnenvaren op voorwaarde dat de exploitant bij de afvaart uit de vertrekhaven, de havenkapiteinsdienst van de bestemmingshaven, alle gegevens zoals voorzien in bijlage 5 heeft medegedeeld.
  § 2. Ten aanzien van de vaststelling of gevaarlijke goederen van klasse I van de I.M.D.G.-Code in massa kunnen exploderen, is het oordeel van het hoofd van de Dienst der Springstoffen van het Ministerie van Economische Zaken bindend.
  § 3. De bepalingen van de paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op :
  a) oorlogsschepen en andere schepen van de overheid die voor nietcommerciële doeleinden worden gebruikt;
  b) bunkers, proviand en scheepsuitrusting voor gebruik aan boord.
  Artikel 22. § 1. Schepen die bepaalde gevaarlijke of verontreinigende goederen in bulk of in verpakte vorm vervoeren vanuit een kusthaven mogen die haven slechts verlaten nadat zij de havenkapiteinsdienst alle gegevens zoals voorzien in bijlage 5 hebben medegedeeld.
  § 2. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op :
  a) oorlogsschepen en andere schepen van de overheid die niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
  b) bunkers, proviand en scheepsuitrusting voor gebruik aan boord.
  Artikel 23. Worden met schepen die bepaalde gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren gelijkgesteld: schepen die met dergelijke stotfen beladen zijn geweest, maar waarvoor hetzij door een erkende deskundige, hetzij door of vanwege de bevoegde overheid nog geen verklaring is afgegeven waarin bevestigd wordt dat het schip geen gevaarlijke of verontreinigende stoffen meer bevat.
  Artikel 24. § 1. Schepen die bepaalde gevaarlijke of verontreinigende stoffen in bulk of in verpakte vorm vervoeren moeten zich minstens 4 uur voor het aanlopen van of het vertrekken uit een kusthaven melden aan Vessel Traffic Service Scheldemonden.
  § 2. Zij dienen gebruik te maken van de diensten van een loods bevoegd voor het af te leggen traject.
  § 3. De checklist voorzien in bijlage 6 dient bij het aan boord komen van de loods nauwkeurig en waarheidsgetrouw ingevuld te zijn en moet aan hem afgegeven worden.
  Artikel 25. De melding bedoeld in artikel 24, § 1, dient te omvatten :
  1° de gegevens voorzien in bijlage 5 onder de punten 1 tot en met 5 en 9;
  2° de opgave van broei, brand, schade aan het zeeschip of lading of een vermoeden daarvan;
  3° de mededeling van eventuele tekortkomingen of voorvallen die de normale veilige bestuurbaarheid van het zeeschip kunnen verminderen, een veilige en vlotte doorvaart nadelig kunnen beïnvloeden of een gevaar kunnen meebrengen voor het milieu.
  Artikel 26. § 1. De kapitein van een schip dat gevaarlijke of verontreinigende stoffen in bulk of in verpakte vorm vervoert dient er zorg voor te dragen :
  1. dat het vervoer geschiedt met inachtneming van de I.M.D.G. Code, de I.M.O.Code of Safe Practice for Solid Bulk Cargoes, de I.M.O. Gas Carrier Code en de I.M.O. Bulk Chemical Codes;
  2. dat aan boord van het zeevaartuig doeltreffende maatregelen zijn genomen ter voorkoming en bestrijding van brand overeenkomstig het bepaalde hij of krachtens S.O.L.A.S.;
  3. dat in overeenstemming met de eisen van goed zeemanschap de nodige maatregelen worden getroffen en er aan boord schriftelijke instructies aanwezig zijn, conform met de door de I.M.O. terzake gegeven aanbevelingen, die aangeven welke maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van de gevaarlijke stoffen die worden vervoerd indien zich een ongeval of een voorval voordoet dat gevaar kan opleveren;
  4. dat nadere aanwijzingen gegeven door de bevoegde autoriteit in aanvulling op de voorzieningen van dit hootdstuk, worden opgevolgd;
  5. dat er steeds marifoonverbinding met de dienst van het loodswezen te Oostende wordt gehandhaafd;
  6. dat de voorschritten voor de seinvoering voorzien in bijlage I worden toegepast.
  § 2. De kapitein van een zeetankschip beladen met vloeibaar gemaakte gassen in bulk die onder de I.M.O. Gas Carrier Code vallen, moet bovendien volgende voorschriften in acht nemen :
  1° er dienen voldoende bekwame bemanningsleden beschikbaar te zijn om het vaartuig veilig te kunnen manoeuvreren;
  2° er dient zekerheid te bestaan dat in de tanks geen gevaarlijke overdruk aanwezig is;
  3° er dient onafgebroken marifoon luisterwacht te worden gehouden;
  4° de boordradar moet aanstaan;
  5° de tanks mogen niet schoongemaakt, ontgast en gespoeld worden zonder toestemming van de bevoegde overheid;
  6° het voornemen te ankeren dient te worden gemeld aan de dienst van het loodswezen te Oostende;
  7° de bouw en de uitrusting van het vaartuig moeten beantwoorden aan de I.M.O. Gas Carrier Code en er dienen aan boord geldige bescheiden aanwezig te zijn, ten bewijze daarvan en die zijn afgegeven door of vanwege de vlaggestaat en welke steeds op eerste vordering ter inzage dienen te worden afgegeven aan de bevoegde autoriteiten.
  Artikel 27. § 1. Bij incidenten of omstandigheden op zee die een bedreiging vormen voor de kust of daarmede samenhangende belangen, dient de gezagvoerder van het schip aan de radarcentrale te Zeebrugge onverwijld informatie te verstrekken over de bijzonderheden van het incident alsmede de gegevens voorzien in bijlage 5.
  De meldingsplicht ten aanzien van de gegevens voorzien in bijlage 5 wordt als nagekomen beschouwd indien de gezagvoerder mededeelt welke bevoegde instantie binnen de Gemeenschap deze vereiste gegevens bewaart.
  § 2. De in § 1 bedoelde kennisgeving moet geschieden overeenkomstig I.M.O. resolutie A 648 (16) en vindt ten minste onder alle in die resolutie beschreven omstandigheden plaats.
  § 3. Loodsen die een schip bij het aanleggen, het afvaren of het manoeuvreren begeleiden lichten de radarcentrale te Zeebrugge onverwijld in, wanneer zij gebreken constateren die de veilige vaart van het schip in gevaar kunnen brengen. "

  Art. 3. In hetzelfde koninklijk besluit worden de bestaande hoofdstukken III, IV, V en VI respectievelijk de hoofdstukken IV, V, VI en VII en de artikelen 21 tot en met 42 respectievelijk 28 tot en met 49.

  Art. 4. In hetzelfde koninklijk besluit wordt na de bestaande bijlage 4 twee nieuwe bijlagen ingevoegd waarvan het model als bijlage 1 en 2 bij dit besluit zijn gevoegd.

  Art. 5. In hetzelfde koninklijk besluit wordt de bestaande bijlage 5, bijlage 7.

  Art. 6. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 13 september 1995.

  Art. 7. Onze Minister van Vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 9 februari 1996.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 5. - Gegevens betreffende de schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren.
  1. Naam en roepnaam van het schip.
  2. Nationaliteit van het schip.
  3. Lengte en diepgang van het schip.
  4. Haven van bestemming.
  5. Vermoedelijke tijd van aankomst in de haven van bestemming of het loodsstation.
  6. Vermoedelijke afvaarttijd.
  7. Geplande vaarroute.
  8. De correcte technische benamingen van de gevaarlijke of verontreinigende goederen, de identificatienummers van de Verenigde Naties (UN), indien van toepassing, de IMO-gevarenklasse overeenkomstig de IMDG-, IBCen IGC-codes, de hoeveelheden van die goederen en hun plaats aan boord, en wanneer zij zich in transporttanks of vrachtcontainers bevinden, de identificatiemerktekens daarvan.
  9. Bevestiging dat zich aan boord een lijst of een manifest of een passend ladingsplan bevindt met een precieze opgave van de vervoerde gevaarlijke en verontreinigende goederen en hun plaats in het schip. "
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 9 februari 1996.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN

  Art. N2. Bijlage 6. - Checklist voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren.
  (Bijlage net opgenomen om technische redenen. Zie Belgisch Staatsblad van 23/03/1996, p. 6773 tot 6775)

 

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 24 november 1975 houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee 1972, bijgevoegd Reglement en zijn Bijlagen, opgemaakt te Londen op 20 oktober 1972, inzonderheid op artikel 2, § 4;
   Gelet op de Richtlijn 93/75/EEG van de Raad van 13 september 1993 betreffende de minimumeisen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren en die naar of uit de zeehavens van de Gemeenschap varen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 4 augustus 1981 houdende politieen <scheepvaartreglement> voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust;
   Overwegende dat de Gewestregeringen zijn betrokken bij het ontwerpen van dit besluit;
   Gelet op de wetten op de Raad van State gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Overwegende dat de Richtlijn 93/75/EEG op 13 september 1995 in voege is getreden en ondermeer een meldingsplicht voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren voorziet alsook de verplichting tot het gebruik van diensten van loodsen; en dat de betrokken milieus van deze verplichtingen dringend op de hoogte moeten worden gebracht;
   Op de voordracht van Onze Minister van Vervoer,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

 

Begin Eerste woord Laatste woord   Aanhef
    Inhoudstafel    
          Franstalige versie