|
FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN
VERVOER |
24 SEPTEMBER 2006. -
Koninklijk besluit houdende vaststelling van het algemeen
politiereglement voor de scheepvaart op de binnenwateren van het
Koninkrijk
Download
hier de tekst in pdf.
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op artikel 37 van de Grondwet;
Gelet op het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende algemeen
reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk, gewijzigd bij de
koninklijke besluiten van 29 juni 1936, 11 september 1936, 1 december
1938, bij de besluiten van de Regent van 21 juni 1945, 2 juli 1945, 18
september 1945, 18 september 1945, 27 februari 1946, 10 juli 1946, 16
december 1946, 5 april 1947, 6 juli 1948, bij de koninklijke besluiten
van 7 september 1950, 13 juli 1951, 22 december 1951, 17 juni 1952, 11
december 1952, 31 oktober 1953, 12 januari 1954, 12 september 1956, 17
oktober 1956, 30 januari 1957, 12 juli 1957, 31 juli 1957, 22 oktober
1958, 25 maart 1964, 11 oktober 1967, 14 december 1971, 5 mei 1975, 3
november 1975, 25 juli 1977, 15 september 1978, 14 december 1979, 28
april 1981, 26 mei 1983, 3 oktober 1986, 19 december 1986, 28 maart
1988, 25 mei 1992, 2 juni 1993; 21 januari 1998, 8 november 1998, 5
maart 1999, bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 1999,
bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999, bij het besluit van de
Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 november 1999, bij het
koninklijk besluit van 20 juli 2000, bij het besluit van de Vlaamse
Regering van 7 december 2001 en bij het besluit van de Brusselse
Hoofdstedelijke Regering van 13 december 2001;
Gelet op het besluit van de Regent van 1 augustus 1948 houdende
goedkeuring van het reglement betreffende het vervoer van brandbare
vloeistoffen op de binnenwateren, gewijzigd bij het besluit van de
Regent van 3 juli 1950 en de koninklijk besluiten van 4 mei 1964 en 4
februari 1988;
Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen betrokken zijn bij het
ontwerpen van dit besluit;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 22 mei
2006;
Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de
omstandigheid dat de scheepvaartreglementering die toepasselijk is op
sommige Belgische scheepvaartwegen bepalingen bevat die in strijd zijn
met Europese normen en aanbevelingen;
Overwegende dat het voor de veiligheid van de scheepvaart essentieel is
dat onverwijld dezelfde regels worden ingevoerd als diegene die gelden
in de buurlanden en op de Rijn;
Overwegende dat door het ontbreken van regels voor het voeren van
lichten de nachtvaart onmogelijk is, dat dit een ernstige handicap
betekent voor de economische ontwikkeling van de binnenvaart, dat dit
concurrentienadeel dringend moet worden opgeheven;
Gelet op advies 40648/4 van de Raad van State, gegeven op 13 juni 2006,
met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de
gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Het algemeen politiereglement voor de scheepvaart op de
binnenwateren wordt vastgesteld volgens de bij dit besluit gevoegde
tekst.
Het reglement als bijlage, met inbegrip van de aanhangsels bij de
bijlage die er volledig deel van uitmaken, kan worden geciteerd als «
Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren ».
Art. 2. § 1. Het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de
Binnenwateren is van toepassing op de openbare binnenwateren van het
Koninkrijk die voor de scheepvaart bestemd zijn of gebruikt worden.
§ 2. In afwijking van § 1 is het Algemeen Politiereglement voor de
Scheepvaart op de Binnenwateren niet van toepassing :
- op het zeekanaal van Brussel naar de Rupel en de haveninrichtingen van
Brussel zoals omschreven in het koninklijk besluit van 18 augustus 1975
houdende reglement betreffende het zeekanaal van Brussel naar de Rupel
en de haveninrichtingen van Brussel;
- in de havens van de Belgische kust en op de stranden van de Belgische
kust zoals omschreven in het koninklijk besluit van 4 augustus 1981
houdende politie- en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale
zee, de havens en de stranden van de Belgische kust;
- op het Belgische gedeelte van het Kanaal van Gent naar Terneuzen zoals
omschreven in het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende
scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen;
- op de Beneden-Zeeschelde en haar aanhorigheden alsmede op de havens
die daarmee in open gemeenschap zijn zoals omschreven in het koninklijk
besluit van 23 september 1992 houdende politiereglement van de
Beneden-Zeeschelde en het koninklijk besluit van 23 september 1992
houdende scheepvaartreglement voor de Beneden-Zeeschelde;
- op de gemeenschappelijke Maas zoals omschreven bij bijlage 2 van de
wet van 15 maart 2002 houdende instemming met de Overeenkomst tussen het
Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden tot regeling van het
scheepvaartverkeer en van de recreatie op de gemeenschappelijke Maas,
ondertekend te Brussel op 6 januari 1993.
Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
« de Minister » : de minister tot wiens bevoegdheid de maritieme zaken
en de scheepvaart behoren.
Art. 4. De Minister kan bepaalde categorieën van schepen ontslaan van de
verplichting opgelegd door lid 1. van artikel 1.02. van het Algemeen
Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren en bijzondere
geschiktheidsvoorwaarden vaststellen voor het voeren van een schip, een
samenstel of een drijvend voorwerp, bedoeld bij hetzelfde lid.
De Minister kan bepaalde categorieën van schepen en samenstellen
aanwijzen waarvoor kan worden afgeweken van de bepalingen van lid 1. van
artikel 1.10. van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op
de Binnenwateren.
De Minister kan de voorwaarden vaststellen waaraan bepaalde evenementen,
toegelaten overeenkomstig artikel 1.23. van het Algemeen
Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren, moeten voldoen
met het oog op de veiligheid en de goede orde van de scheepvaart.
De Minister stelt de vorm, de afmetingen, de kleur en de bijzondere
plaatsingsvoorwaarden vast van de verkeerstekens bedoeld in artikel
5.01. van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de
Binnenwateren.
De Minister stelt de vorm, de afmetingen, de kleur en de bijzondere
plaatsingsvoorwaarden vast van de tekens voor de markering van de
vaargeul bedoeld in artikel 5.02. van het Algemeen Politiereglement voor
de Scheepvaart op de Binnenwateren.
De Minister kan toelating verlenen om af te wijken van het verbod
bepaald in lid 3. van artikel 6.21.b. van het Algemeen Politiereglement
voor de Scheepvaart op de Binnenwateren.
De Minister kan een niet vrij varende veerpont ontslaan van de
verplichting tot het hebben van een uitkijk overeenkomstig lid 1. van
artikel 6.30. van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op
de Binnenwateren.
De Minister kan een niet vrij varende veerpont ontslaan van de
verplichting bepaald in lid 2. van artikel 6.32. van het Algemeen
Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren.
De Minister kan voor bepaalde categorieën pleziervaartuigen of voor
bepaalde evenementen afwijken van lid 1. van artikel 9.02. van het
Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren.
De Minister bepaalt welke gegevens moeten worden vermeld in de opgave
van de karakteristieken van het vaartuig bedoeld in lid 3. van artikel
9.03. van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de
Binnenwateren.
De Minister kan bepaalde voor waterrecreatie bestemde of gebruikte
tuigen toevoegen aan de lijst bepaald bij lid 6. van artikel 9.03. van
het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren.
Art. 5. In het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende algemeen
reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk worden opgeheven :
1° artikel 2, derde lid;
2° artikel 2, vierde lid;
3° artikel 3;
4° artikel 8, lid 1, 1°, gewijzigd bij het besluit van de Regent van 15
september 1948 en bij de koninklijke besluiten van 13 juli 1951 en 31
oktober 1953;
5° artikel 11, 6, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 5 april 1947;
6° artikel 12, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 september
1950;
7° artikel 16;
8° artikel 17;
9° artikel 18;
10° artikel 19;
11° artikel 22;
12° artikel 23;
13° artikel 28, § 7, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 januari
1954;
14° artikel 28, § 9, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 januari
1954;
15° artikel 35;
16° artikel 35bis, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 september
1950;
17° artikel 37;
18° artikel 41;
19° artikel 43;
20° artikel 49, vierde lid;
21° artikel 53;
22° artikel 53bis ;
23° artikel 54;
24° artikel 56;
25° artikel 62;
26° artikel 63 gewijzigd door het besluit van de Regent van 9 augustus
1948;
27° artikel 66;
28° artikel 102bis, ingevoegd bij het besluit van de Regent van 18
september 1945.
Art. 6. In artikel 100 van hetzelfde besluit worden de woorden « of van
het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren »
ingevoegd tussen de woorden « die het aanvullen » en de woorden « , elke
weigering ».
Art. 7. In artikel 101 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de
koninklijke besluiten van 15 september 1978 en 3 mei 1999, worden de
woorden « , van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de
Binnenwateren » ingevoegd tussen de woorden « van dit reglement » en de
woorden « en van de bijzondere reglementen ».
Art. 8. In artikel 103 van hetzelfde besluit worden de woorden « , van
het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren »
ingevoegd tussen de woorden « van dit reglement » en de woorden « en van
de bijzondere reglementen ».
Art. 9. In artikel 104 van hetzelfde besluit worden de woorden « , van
het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren »
ingevoegd tussen de woorden « van dit reglement » en de woorden « en van
de bijzondere reglementen ».
Art. 10. Artikel 108 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk
besluit van 7 september 1950, wordt aangevuld als volgt :
« 4° het kanaal van Gent naar Terneuzen. »
Art. 11. In hetzelfde besluit wordt een artikel 108bis ingevoegd,
luidende :
« Art. 108bis. In afwijking van artikel 108 van dit besluit zijn de
bepalingen van dit besluit slechts van toepassing op de binnenwateren
die onder het toepassingsgebied van het Algemeen Politiereglement voor
de Scheepvaart op de Binnenwateren vallen voor zover ze er niet mee
strijdig zijn. ».
Art. 12. In het bijzonder reglement nopens het vervoer van brandbare
vloeistoffen op de binnenwateren, goedgekeurd bij het besluit van de
Regent van 1 augustus 1948, worden opgeheven :
1° artikel 23, vervangen bij het koninklijk besluit van 4 februari 1988;
2° artikel 58, punt 1, vervangen bij het koninklijk besluit van 4
februari 1988;
3° artikel 84, punt 1, vervangen bij het koninklijk besluit van 4
februari 1988.
Art. 13. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2007.
Artikel 2.01, lid 3, van het Algemeen Politiereglement voor de
Scheepvaart op de Binnenwateren treedt in werking op 1 januari 2008 wat
betreft de hoogte, de breedte en de lijndikte van de letters, cijfers en
overige aanduidingen.
Artikel 2.02, lid 2, van het Algemeen Politiereglement voor de
Scheepvaart op de Binnenwateren treedt in werking op 1 januari 2008 wat
betreft de hoogte, de breedte en de lijndikte van de letters, cijfers en
overige aanduidingen.
Artikel 4.06, lid 3, van het Algemeen Politiereglement voor de
Scheepvaart op de Binnenwateren treedt in werking op 1 januari 2007 wat
betreft de grote schepen zoals omschreven in punt a2) van artikel 1.01.
van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de
Binnenwateren en op 1 januari 2009 wat betreft de kleine schepen zoals
bedoeld in punt a1) van artikel 1.01. van het Algemeen Politiereglement
voor de Scheepvaart op de Binnenwateren.
Artikel 9.01, lid 5, tweede zin, van het Algemeen Politiereglement voor
de Scheepvaart op de Binnenwateren treedt in werking op 1 januari 2007
wat betreft de pleziervaartuigen die varen met grote snelheid zoals
omschreven in punt f8) van artikel 1.01. van het Algemeen
Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren en op 1 januari
2008 wat betreft de andere pleziervaartuigen.
Art. 14. Onze Minister van Mobiliteit is belast met de uitvoering van
dit besluit.
Gegeven te Brussel, 24 september 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT
Bijlage
Algemeen politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren
INHOUDSTAFEL
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
HOOFDSTUK 1. - Algemene voorschriften
Art. 1.01. Betekenis van enige uitdrukkingen
In dit reglement wordt verstaan onder :
Algemene indeling
a) schip of boot : elk vaartuig met inbegrip van een voorwerp zonder
waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te
worden gebruikt als een middel van vervoer te water;
b) drijvende inrichting : drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming
in de regel niet wordt verplaatst;
c) drijvend voorwerp : elk bouwsel dat geschikt is gemaakt om te water
te worden verplaatst en dat geen schip of drijvende inrichting is;
Aard van de schepen
a1) klein schip : elk schip waarvan de lengte van de romp minder dan 20
m bedraagt, met uitzondering van :
- een schip dat is gebouwd of ingericht om andere dan kleine schepen te
slepen, te assisteren, te duwen of gekoppeld mede te voeren;
- een veerpont;
- een passagiersschip;
- een schip dat aan het vissen is;
- een duwbak;
a2) groot schip : elk schip niet zijnde een klein schip;
a3) motorschip : elk schip dat gebruik maakt van zijn mechanische
middelen tot voortbeweging, met uitzondering van een schip waarvan de
motor slechts wordt gebruikt voor het zich verplaatsen over een kleine
afstand of ter verbetering van zijn bestuurbaarheid wanneer het wordt
gesleept of geduwd;
a4) zeilschip : elk schip dat uitsluitend door middel van zijn zeilen
wordt voortbewogen; een schip dat door middel van zijn zeilen wordt
voortbewogen en tegelijkertijd zijn motor gebruikt dient als een
motorschip te worden beschouwd;
Bijzondere types van schepen
d1) drijvend werktuig : schip of boot met mechanische werktuigen,
bestemd om op de vaarwegen of in de havens te worden gebruikt
(baggermolens, elevatoren, bokken, kranen, enz.);
d2) duwbak : een schip dat gebouwd is of bijzonder geschikt is om te
worden geduwd;
d3) zeeschipbak : een duwbak die is gebouwd om aan boord van een
zeeschip te kunnen worden vervoerd en om de binnenwateren te bevaren;
d4) duwboot : een motorschip, dat deel uit maakt van een duwstel en dat
is gebouwd of ingericht voor het voortbewegen en het sturen van de
andersoortige schepen;
d5) jetboot : elk klein schip dat zijn eigen mechanische
voortstuwingsmiddelen gebruikt om één of meerdere personen te vervoeren,
gebouwd of ontworpen om op het water te skiën of er figuren op uit te
voeren, bijvoorbeeld 'waterbob', 'waterscooter', 'jetbike', 'jetski' of
ander analoog vaartuig;
Samenstellen
e1) samenstel : een sleep, een duwstel of een gekoppeld samenstel.
Elke combinatie waarbij een motorschip assisteert wordt eveneens als een
samenstel beschouwd;
e2 ) sleep : een samenstel van één of meer motorschepen en één of meer
op tros daaraan verbonden schepen, drijvende voorwerpen of drijvende
inrichtingen, waarbij de motorschepen, sleepboten genoemd, dienen voor
het voortbewegen dan wel voor het voortbewegen en het sturen van de
andere schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen;
e3) duwstel : een hecht samenstel van één of meer duwboten en één of
meer andere schepen waarvan er tenminste één is geplaatst voor één van
de duwboten;
e4) gekoppeld samenstel : een samenstel van aan elkaar vastgemaakte
schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het motorschip dat dient voor
het voortbewegen en het sturen van het samenstel;
Exploitatie
f1) stilliggend : een schip of drijvend voorwerp heet stilliggend indien
het voor anker ligt of gemeerd is;
f2) varend : een schip of drijvend voorwerp heet varend indien het noch
voor anker ligt, noch gemeerd is, noch aan de grond gelopen;
f3) schip dat aan het vissen is : elk schip dat vist met netten, lijnen,
sleepnetten of ander vistuig, die de manoeuvreerbaarheid beperken; de
term wordt niet gebruikt voor een schip dat vist en hierdoor niet wordt
gehinderd in zijn manoeuvreerbaarheid;
f4) assisteren : het bijstaan door één of meer motorschepen van een
alleen varend motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel bij het
zich voortbewegen en bij het sturen of bij één van deze handelingen;
f5) passagiersschip : een schip ingericht of gebruikt voor het vervoer
van meer dan 12 passagiers;
f6) pleziervaartuig : schip dat voor recreatieve doeleinden wordt
gebruikt met uitzondering van passagiersschepen;
f7) veerpont : een schip dat een veerdienst onderhoudt, waarbij de
vaarweg wordt overgestoken;
f8) varen met grote snelheid : varen met een snelheid groter dan 20
km/h.
Signalisatie
g1) wit licht, rood licht, groen licht, geel licht en blauw licht duiden
de lichten aan waarvan de kleuren voldoen aan de voorschriften van
aanhangsel 4 van dit reglement;
g2) krachtig licht, helder licht, gewoon licht duiden de lichten aan
waarvan de intensiteit voldoet aan de voorschriften van aanhangsel 5 van
dit reglement;
g3) flikkerlicht : licht met periodes van 50 à 60 flikkeringen per
minuut;
g4) korte stoot : een geluidssein met een duur van ongeveer 1 seconde;
lange stoot : een geluidssein met een duur van ongeveer 4 seconden;
Het interval tussen twee opeenvolgende stoten moet ongeveer 1 seconde
bedragen;
g5) reeks zeer korte stoten : een reeks van ten minste 6 stoten, elk met
een duur van ongeveer 1/4 seconde; het interval tussen de opeenvolgende
stoten moet ongeveer 1/4 seconde bedragen;
g6) 's nachts : de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang;
g7) overdag : de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang;
Overige
h1) vermoeidheid : toestand ten gevolge van onvoldoende rust of een
ziekte die zich uit door afwijkingen van het normale gedrag of de
reactiesnelheid;
h2) dronkenschap : toestand ten gevolge van het gebruik van alcohol,
verdovende middelen, geneesmiddelen of andere gelijkaardige producten
waarbij de persoon duidelijke tekenen vertoont waaruit moet worden
afgeleid dat hij niet in staat is het schip behoorlijk te voeren of te
sturen.
h3) alcoholintoxicatie : toestand tengevolge het gebruik van alcohol
waarbij een ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,22
milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht of een bloedanalyse een
alcoholconcentratie van tenminste 0,5 gram per liter bloed aangeeft.
h4) andere vormen van intoxicatie : toestand ten gevolge van het gebruik
van verdovende middelen, geneesmiddelen of andere gelijkaardige
producten waarbij een bloedanalyse de aanwezigheid in het organisme
aantoont van minstens één van de volgende stoffen en waarvan het gehalte
gelijk is aan of hoger is dan het hieronder aangegeven gehalte :
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
h5) vaargeul : het gedeelte van de vaarweg dat feitelijk voor de
scheepvaart kan worden gebruikt;
h6) ADNR : het reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over
de Rijn;
Art. 1.02. Schipper
1. Ieder schip, samenstel of drijvend voorwerp, met uitzondering van de
schepen van een duwstel, andere dan de duwboten, dient te worden
geplaatst onder het gezag van een persoon die de geschikte kwalificaties
bezit. Deze persoon wordt in dit reglement « schipper » genoemd.
2. Voor een samenstel wordt de schipper als volgt aangeduid :
a) voor een samenstel met slechts één motorschip is de schipper van het
motorschip eveneens de schipper van het samenstel;
b) in het geval van een sleep met op kop twee of meer motorschepen in
lijn is de schipper van het eerste motorschip ook de schipper van het
samenstel. Indien het eerste motorschip slechts als een tijdelijke
versterking is voorzien, is de schipper van het tweede motorschip
schipper van het samenstel;
c) in het geval van een sleep met op kop twee of meer motorschepen niet
in lijn varende, is de schipper van het samenstel de schipper van de
motorboot die het grootste aandeel heeft in het slepen;
d) in de andere gevallen wordt de schipper van het samenstel voorafgaand
aangeduid.
3. Bij het varen dient de schipper aan boord te zijn; de schipper van
een drijvend werktuig dient eveneens aan boord te zijn tijdens de
werkzaamheden van het werktuig.
4. De schipper is verantwoordelijk voor de naleving van dit reglement
aan boord van zijn schip, zijn samenstel of zijn drijvend voorwerp. Bij
een sleep dienen de schippers van de gesleepte schepen zich te schikken
naar de bevelen van de schipper van het samenstel. Deze verplichting
ontslaat hen niet om in functie van de vereisten voor een goede vaart
van hun schepen de nodige maatregelen te nemen, zelfs zonder bevelen van
de schipper van het samenstel.
Dezelfde voorschriften zijn van toepassing op de schippers van schepen
die een gekoppeld samenstel vormen, en die niet de schipper zijn van het
samenstel.
5. Iedere drijvende inrichting dient te worden geplaatst onder het bevel
van een persoon, die verantwoordelijk is voor de naleving van dit
reglement met betrekking tot de drijvende inrichtingen.
6. De mogelijkheid tot oordelen en handelen van de schipper mag niet
verminderd zijn door vermoeidheid, dronkenschap, alcoholintoxicatie of
andere vormen van intoxicatie.
Art. 1.03. Verplichtingen van de bemanning en van andere personen aan
boord
1. De bemanningsleden moeten de bevelen opvolgen die door de schipper
worden gegeven binnen de grenzen van zijn verantwoordelijkheid. Ze
dienen steeds mee te werken aan de naleving van dit reglement en de
andere van toepassing zijnde voorschriften.
2. Ieder ander persoon die zich aan boord bevindt dient de bevelen van
de schipper op te volgen in het belang van de veiligheid van de
scheepvaart of van de goede orde aan boord.
3. De mogelijkheid tot oordelen en handelen van de bemanning die van
dienst is en van andere personen aan boord die tijdelijk deelnemen aan
het varen van het schip mag niet verminderd zijn door vermoeidheid,
dronkenschap, alcoholintoxicatie of andere vormen van intoxicatie.
Art. 1.04. Algemene plicht van waakzaamheid
1. De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften
in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen nemen die door de algemene
plicht van waakzaamheid volgens de omstandigheden waarin het schip zich
bevindt, of volgens het goede zeemanschap geboden zijn, teneinde meer
bepaald te vermijden :
- het leven van personen in gevaar te brengen;
- schade aan schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen te
veroorzaken;
- de scheepvaart te hinderen.
2. De bovenstaande voorschriften zijn eveneens van toepassing op de
personen die verantwoordelijk zijn voor een drijvende inrichting.
Art. 1.05. Afwijking van het reglement
Bij dringend gevaar dienen de schippers alle nodige schikkingen volgens
de omstandigheden te treffen, zelfs indien zij daardoor dienen af te
wijken van de voorschriften van dit reglement.
Art. 1.06. Gebruik van de vaarweg
De lengte, de breedte, de diepgang, de hoogte, de snelheid en de
manoeuvreerbaarheid van een schip, een samenstel of een drijvend
voorwerp moet derwijze zijn dat de scheepvaart niet in gevaar komt.
Art. 1.07. Belading
1. Een schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart indien het zodanig is
beladen dat het inzinkt tot over het vlak van de grootste toegelaten
diepgang aangegeven door de onderkant van de inzinkingsmerken.
2. Een schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart indien door de wijze
van belading de stabiliteit van het schip of de weerstand van de romp in
gevaar wordt gebracht.
Tijdens de vaart mag de lading het directe of indirecte uitzicht niet
meer beperken dan tot 350 m voor het schip of het samenstel.
Art. 1.08. Bemanning van schepen en drijvende voorwerpen
Alle schepen en drijvende voorwerpen, met uitzondering van de schepen
van een duwstel, maar wel de duwboot, moeten een bemanning hebben die
voldoende in aantal is en gekwalificeerd ten einde de veiligheid te
verzekeren van de personen aan boord en van de scheepvaart. Echter, de
niet gemotoriseerde schepen van een gekoppeld samenstel en sommige
gesleepte schepen van een hecht samenstel zijn niet verplicht een
bemanning te hebben indien de bemanning van het gekoppeld of hecht
samenstel voldoende in aantal is en gekwalificeerd om de veiligheid te
verzekeren van de personen aan boord en van de scheepvaart.
Art. 1.09. Sturen van een schip
1. Behoudens anders luidende bepalingen of afwijkingen voor wat betreft
de leeftijd, dient het sturen van het schip te geschieden door een
daartoe bekwaam en ten minste 16 jaar oud persoon.
2. Ten einde de goede vaart van een schip te verzekeren moet degene die
het schip stuurt in de gelegenheid zijn alle in de stuurhut
binnenkomende of van daar uitgaande inlichtingen en aanwijzingen te
vernemen en te geven. In het bijzonder dient hij in de gelegenheid te
zijn geluidsseinen te horen en naar alle zijden een voldoende vrij
uitzicht te hebben. Indien geen vrij uitzicht mogelijk is, moet de
mogelijkheid bestaan om een optisch hulpmiddel te gebruiken, waarmee
over een voldoende ruim gezichtsveld een helder en onvertekend beeld
wordt verkregen.
3. Indien bijzondere omstandigheden dit vereisen, dient een uitkijk of
luisterpost aanwezig te zijn die de schipper inlicht.
4. De mogelijkheid tot oordelen en handelen van degene die het schip
stuurt mag niet verminderd zijn door een toestand van vermoeidheid,
dronkenschap, alcoholintoxicatie of andere vormen van intoxicatie.
Art. 1.10. Boorddocumenten
1. Aan boord van schepen of samenstellen moeten de documenten, voor
zover ze vereist zijn door geldende reglementeringen, aanwezig zijn,
onder meer :
a) de meetbrief van het schip of de toelating om zonder meetbrief een
bepaalde reisweg af te leggen;
b) de documenten waaruit blijkt dat het schip en zijn uitrusting voldoen
aan de technische voorschriften;
c) de documenten vereist voor het vervoer van in het ADNR bedoelde
gevaarlijke stoffen, zowel voor wat betreft het schip, de goederen als
de bemanning;
d) documenten die de aard en de hoeveelheid van de lading aan boord
weergeven.
Voor duwbakken mogen :
- de documenten vermeld onder a), b) en c) worden vervangen door een
kopie;
- de documenten vermeld onder b) worden vervangen door een plaat waarop
minstens het officieel nummer van het schip en het nummer van het
communautair certificaat of het certificaat van onderzoek zijn
aangebracht. Deze gegevens moeten in goed leesbare tekens met een hoogte
van ten minste 0,006 m ingehakt of ingeslagen zijn in een metalen plaat
met een hoogte van ten minste 0,06 m en een lengte van ten minste 0,12
m. Deze plaat moet op het achterschip aan stuurboordzijde op een goede
zichtbare plaats zijn bevestigd.
2. Documenten die verplicht aan boord van een schip dienen aanwezig te
zijn, moeten worden voorgelegd bij elk verzoek hiertoe door de ambtenaar
belast met de controle. Desnoods moet de schipper zich daartoe aan wal
begeven.
Art. 1.11. Scheepvaartreglement
1. Aan boord van een schip moet een exemplaar van het Algemeen
Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren aanwezig zijn.
Een exemplaar dat via een elektronisch middel op ieder moment kan
geraadpleegd worden is eveneens toegestaan.
2. Dit artikel is niet van toepassing op een groot schip zonder
bemanningsverblijf noch op een klein open schip.
Art. 1.12. In beslag genomen ruimte van het schip, verlies van
voorwerpen
1. Een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting mag geen
voorwerpen hebben uitsteken die de veiligheid van schepen, drijvende
voorwerpen, drijvende inrichtingen of de scheepvaart in gevaar brengen.
2. Een schip moet een anker waarvan geen gebruik wordt gemaakt geheel
voorhalen; indien het voorop ook over een klipanker beschikt, moet het
stokanker binnenboord worden gehaald.
Art. 1.13. (niet overgenomen)
Art. 1.14. (niet overgenomen)
Art. 1.15. (niet overgenomen)
Art. 1.16. (niet overgenomen)
Art. 1.17. Vastgevaren of gezonken schepen
De schipper moet, onverminderd de verplichting de bij artikel 3.25
bedoelde lichten en dagtekens te voeren, zo spoedig mogelijk met alle
mogelijke middelen naderende schepen waarschuwen. Schepen die uitgerust
zijn met marifoon dienen deze waarschuwing per marifoon uit te zenden.
Art. 1.18. (niet overgenomen)
Art. 1.19. Bijzondere bevelen
De schippers en de verantwoordelijken van de drijvende inrichtingen
moeten gevolg geven aan bijzondere bevelen die hen worden gegeven ten
behoeve van de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart.
Art. 1.20. Verlenen van medewerking aan ambtenaren belast met de
controle
De schippers en de verantwoordelijken voor de drijvende inrichtingen
moeten de nodige medewerking geven aan de ambtenaren belast met de
controle, in het bijzonder om het onmiddellijk aan boord komen te
vergemakkelijken, zodat zij zich kunnen vergewissen van het naleven van
dit reglement en andere regels die van toepassing zijn.
Art. 1.21. Bijzondere transporten
1. Worden beschouwd als bijzondere transporten, alle verplaatsingen over
de vaarweg :
a) van schepen of samenstellen die niet beantwoorden aan de
voorschriften van de artikelen 1.06 en 1.08;
b) van drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen tenzij uit hun
verplaatsing klaarblijkelijk geen enkele hinder of gevaar voortspruit
voor de scheepvaart.
2. Voor elk bijzonder transport moet een schipper worden aangeduid,
rekening houdend met de voorschriften van artikel 1.02.
Art. 1.22. Tijdelijke voorschriften
De schippers dienen zich te houden aan de tijdelijke voorschriften die
worden uitgevaardigd als bericht aan de schipperij.
Deze tijdelijke voorschriften gaan boven de algemene verkeersregels en
de verkeerstekens opgenomen in dit reglement.
Art. 1.23. Evenementen
De inrichting van en de deelneming aan sportieve evenementen,
feestelijkheden of andere evenementen, die geheel of ten dele op een
openbare waterweg plaatshebben, zijn verboden, behoudens voorafgaande en
schrijftelijke toelating van de beheerder van de waterweg waarop die
evenementen plaatshebben.
HOOFDSTUK 2. - Kentekens
Art. 2.01. Kentekens van grote schepen
1. Elk groot schip moet op zijn romp of op duurzaam bevestigde borden of
platen, de volgende kentekens dragen :
a) de naam, die ook een kenspreuk kan zijn, aan beide zijden van het
schip en bovendien, met uitzondering van een duwbak, op een zodanige
plaats dat deze aanduiding van achteren zichtbaar is;
b) de thuishaven van het schip en de letter of lettercombinatie die
volgens aanhangsel 1 van dit reglement het land aangeeft, waarin deze is
gelegen, hetzij aan beide zijden van het schip, hetzij aan de
achterzijde.
2. Bovendien moet :
a) elk groot schip bestemd voor het vervoer van goederen het maximaal
laadvermogen vermelden. Deze aanduiding moet worden aangebracht aan
beide zijden van het schip, op de romp of op duurzaam bevestigde borden;
b) elk passagiersschip het maximum toegelaten aantal passagiers
vermelden. Deze aanduiding moet worden aangebracht aan boord op een goed
zichtbare plaats.
3. De kentekens bedoeld in leden 1 en 2 moeten aangebracht zijn in
Latijnse letters en Arabische cijfers, goed leesbaar en onuitwisbaar. In
de naam mogen evenwel Romeinse cijfers voorkomen. De hoogte van de
letters en cijfers moet voor de naam ten minste 0,20 m en voor de
overige aanduidingen ten minste 0,15 m zijn. De breedte en de lijndikte
van de letters en cijfers moeten in verhouding staan tot de hoogte. Ze
moeten van lichte kleur op donkere achtergrond of donkere kleur op
lichte achtergrond zijn.
4. Dit artikel is niet van toepassing op een schip dat rechtstreeks van
zee komt of naar zee gaat. Onverminderd deze bepaling dient ieder schip
de nodige kentekens te voeren die een identificatie mogelijk maken.
5. Drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen moeten voorzien zijn
van een bord waarop de naam en de woonplaats van de eigenaar aangebracht
zijn. Deze kentekens moeten voldoen aan de voorschriften van lid 3.
Art. 2.02. Kentekens van kleine schepen
1. Een klein schip moet aan beide zijden op de romp of op duurzaam
bevestigde borden of platen zijn naam dragen, die ook een kenspreuk kan
zijn.
2. De in lid 1 bedoelde kentekens dienen te voldoen aan de voorschriften
van lid 3 van artikel 2.01. De hoogte evenwel moet slechts 0,10 m zijn.
3. Op een bijboot van een schip behoeft echter, aan de binnen- of
buitenzijde, slechts een zodanig kenteken te zijn aangebracht, dat
daaruit kan worden opgemaakt wie de eigenaar is.
4. Lid 1 is niet van toepassing op een pleziervaartuig met een
romplengte van minder dan 5 m en op een door spierkracht voortbewogen
schip met een romplengte van minder dan 20 m.
Art. 2.03. Meting
Elk schip moet worden gemeten, met uitzondering van :
- de bijboten;
- de pleziervaartuigen met een romplengte kleiner dan 15 m.
Art. 2.04. (niet overgenomen)
Art. 2.05. (niet overgenomen)
Art. 2.06. Buitenlandse schepen
Buitenlandse schepen voeren de kentekens zoals voorgeschreven in het
land van herkomst van het schip. Onverminderd deze bepaling dient ieder
schip :
- hetzij de nodige kentekens te voeren die een identificatie mogelijk
maken;
- hetzij de kentekens te voeren zoals voorgeschreven in artikel 2.01 en
artikel 2.02.
Art. 2.07. Pleziervaartuigen
Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk dienen de pleziervaartuigen
te voldoen aan de voorschriften van artikel 9.03 in verband met de
immatriculatieplaat en deze van artikel 9.01, lid 5, in verband met het
aanbrengen van het nummer van de immatriculatieplaat.
HOOFDSTUK 3. - Optische tekens van schepen
Afdeling I. - Algemeenheden
Art. 3.01. Toepassing en definities
1. Op een varend schip zijn de artikelen 3.08 tot en met 3.18 van
toepassing. Artikel 3.19 is van toepassing op een varend drijvend
voorwerp en een varende drijvende inrichting.
2. Op een stilliggend schip zijn de artikelen 3.20 tot en met 3.22 en de
artikelen 3.24 tot en met 3.26 van toepassing. De artikelen 3.23 en 3.26
zijn van toepassing op een stilliggend drijvend voorwerp en een
stilliggende drijvende inrichting.
3. De artikelen 3.21, 3.23 en 3.26 zijn eveneens van toepassing op een
schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting die is
vastgevaren.
4. Bij verminderde zichtbaarheid moeten de voorgeschreven lichten ook
overdag worden gevoerd.
5. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een duwstel waarvan de
grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m
respectievelijk 12 m bedragen, beschouwd als één motorschip.
6. Een stilliggend schip dat wacht om te worden geschut of een
stilliggend schip dat wacht tot het doorvaren van een beweegbare brug
wordt toegestaan, mag de lichten en dagtekens van varende schepen
blijven voeren.
7. Een schetsmatige weergave van de bij dit hoofdstuk voorgeschreven
tekens is opgenomen in aanhangsel 3.
8. In dit hoofdstuk betekenen :
a) toplicht : een wit krachtig licht dat ononderbroken schijnt over een
boog van de horizon van 225° en wel aan elke zijde van het schip van
recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars (schets 1, aanhangsel
3);
b) boordlichten : een groen helder licht aan stuurboordzijde en een rood
helder licht aan bakboordzijde, die elk ononderbroken schijnen over een
boog van de horizon van 112°30' en wel elk aan zijn zijde van het schip
van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars (schets 1,
aanhangsel 3);
c) heklicht : een wit helder of gewoon licht dat ononderbroken schijnt
over een boog van de horizon van 135° en wel aan elke zijde van het
schip over 67°30' van recht achteruit (schets 1, aanhangsel 3);
d) rondom zichtbaar licht : een licht dat ononderbroken schijnt over een
boog van de horizon van 360°;
e) hoogte : de hoogte boven het vlak door de onderkant van de
inzinkingsmerken, of, voor de schepen zonder inzinkingsmerken, de hoogte
boven het bovenste doorlopende dek of bij gebrek hieraan boven het
potdeksel.
9. Bij de doorvaart van een kunstwerk mogen de in dit hoofdstuk bedoelde
tekens zoveel lager worden gevoerd als nodig is om de doorvaart te doen
geschieden.
Art. 3.02. Lichten
1. Voor zover niet anders wordt bepaald, moeten de lichten die door dit
reglement worden voorgeschreven een ononderbroken gelijkmatig licht
geven.
2. De lichten van stilliggende schepen zonder motor dienen niet aan de
voorschriften van lid 1 te voldoen. Bij goed zicht en tegen een donkere
achtergrond dient de zichtbaarheid der lichten echter ten minste 1000 m
te bedragen.
Art. 3.03. Borden, vlaggen en wimpels
1. Behoudens anders luidende voorschriften, moeten de borden en vlaggen
die door dit reglement worden voorgeschreven, rechthoekig zijn.
2. Ze mogen niet vervuild en de kleuren mogen niet verbleekt zijn.
3. De afmetingen moeten zó zijn, dat een goede zichtbaarheid wordt
verzekerd; hieraan is voldaan indien :
- bij borden en vlaggen de lengte en de hoogte elk ten minste 1 m
bedragen, of ten minste 0,60 m voor kleine schepen;
- bij wimpels de lengte ten minste 1 m en de hoogte aan de vlaggenstok
ten minste 0,50 m bedragen.
Art. 3.04. Cilinders, bollen, kegels en ruiten
1. De cilinders, bollen, kegels en ruiten die door dit reglement worden
voorgeschreven, mogen worden vervangen door voorwerpen die op een
afstand dezelfde vorm vertonen.
2. Ze mogen niet vervuild en de kleuren mogen niet verbleekt zijn.
3. De afmetingen moeten zodanig zijn dat een goede zichtbaarheid wordt
verzekerd; hieraan is in ieder geval voldaan :
a) voor cilinders : als de hoogte ten minste 0,80 m en de diameter ten
minste 0,50 m is;
b) voor bollen : als de diameter ten minste 0,60 m is;
c) voor kegels : als de hoogte ten minste 0,60 m is en de diameter van
de basis ten minste 0,60 m is; echter mag de diameter niet groter zijn
dan de hoogte;
d) voor ruiten : als de hoogte ten minste 0,80 m is en de horizontale
diameter ten minste 0,50 m is; echter mag deze diameter niet groter dan
de hoogte zijn.
Art. 3.05. Verboden lichten en signalen
1. Een schip mag geen andere lichten voeren noch signalen gebruiken dan
deze in dit reglement vermeld, en mag deze niet voeren noch gebruiken
onder andere omstandigheden dan die welke in dit reglement zijn
voorzien.
2. Een schip mag voor het wisselen van berichten met andere schepen of
met de wal andere lichten voeren of signalen gebruiken op voorwaarde dat
hierdoor geen verwarring kan ontstaan met de in dit reglement vermelde
lichten en signalen.
Art. 3.06. Noodlichten
Indien de lichten die een schip volgens dit reglement moet voeren, niet
kunnen werken, moeten ze zo spoedig mogelijk door noodlichten worden
vervangen. Ingeval een krachtig licht wordt voorgeschreven, mag het
noodlicht helder, en ingeval een helder licht wordt voorgeschreven, mag
het noodlicht gewoon zijn. Het in gebruik stellen van lichten van de
voorgeschreven sterkte moet zo spoedig mogelijk gebeuren.
Art. 3.07. Verboden gebruik van lichten, zoeklichten, borden, vlaggen,
enz.
1. Het gebruik van lichten, zoeklichten, borden, vlaggen of andere
voorwerpen is verboden indien dit kan leiden tot verwarring met lichten
of signalen zoals ze in dit reglement worden vermeld, of indien zij
daardoor de zichtbaarheid of de herkenning ervan kunnen bemoeilijken.
2. Het is verboden lichten of zoeklichten zó te gebruiken dat zij door
verblinding een gevaar of hinder voor de scheepvaart of voor het verkeer
te land kunnen veroorzaken.
Afdeling II. - Tekens tijdens het varen
Art. 3.08. Tekens van grote motorschepen
1. Een alleen varend groot motorschip moet 's nachts voeren (schets 2,
aanhangsel 3) :
a) een toplicht op het voorschip in de lengteas van het schip op een
hoogte van ten minste 5 m. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4 m
indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;
b) boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de
lengteas van het schip, ten minste 1 m lager dan het toplicht. Ze moeten
naar de kant van het schip toe afgeschermd zijn zó dat het groene licht
niet van bakboord en het rode niet van stuurboord kan worden gezien;
c) een heklicht op het achterschip in de lengteas van het schip, op een
zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het
schip oploopt.
2. Een alleen varend motorschip mag 's nachts een tweede toplicht voeren
achter het toplicht op het voorschip in de lengteas van het schip en ten
minste 3 m hoger, zodanig dat de horizontale afstand tussen de beide
lichten ten minste drie maal de verticale afstand bedraagt (schets 3,
aanhangsel 3).
Een motorschip waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt, is verplicht
dit tweede toplicht te voeren.
3. Een motorschip dat tijdelijk door een ander motorschip wordt
geassisteerd dient (schets 4, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
de in leden 1 en 2 hierboven bedoelde lichten te voeren;
- overdag :
een gele bol op het voorschip op een hoogte van ten minste 5 m te
voeren. De gele bol is niet verplicht indien het schip rechtstreeks van
zee komt of rechtstreeks naar zee vaart.
4. Uitzonderingen :
a) op een varende veerpont is, in afwijking van dit artikel, artikel
3.16 van toepassing;
b) een schip dat loodsdienst uitoefent, dient in plaats van het in lid 1
bedoelde toplicht, het teken bedoeld in artikel 3.36 te voeren;
c) voor een schip dat aan het vissen is gelden in zake het toplicht de
voorschriften van artikel 3.37.
Art. 3.09. Tekens van slepen en van motorschepen die assisteren
1. Het motorschip aan de kop van een sleep of het motorschip, dat een
motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteert, moet
voeren (schets 5, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
a) twee toplichten op het voorschip, in de lengteas van het schip, in
een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het
bovenste op de door artikel 3.08, lid 1. a) voorgeschreven hoogte en het
onderste, voor zover mogelijk, ten minste 1 m hoger dan de boordlichten;
b) boordlichten die voldoen aan de voorschriften van artikel 3.08, lid
1. b) ;
c) een geel helder of gewoon licht op het achterschip in de lengteas van
het schip, dat schijnt over dezelfde boog van de horizon als het
heklicht, voorgeschreven bij artikel 3.08, lid 1. c) en dat is
aangebracht op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat het
goed zichtbaar is voor de gesleepte of geassisteerde lengten achter het
motorschip;
- overdag :
een gele cilinder die aan de boven- en onderzijde is voorzien van twee
banden, zwart en wit, de witte banden aan de uiteinden van de cilinder,
en die is aangebracht in verticale stand op het voorschip op een
zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
2. Indien een sleep verscheidene motorschepen bevat, die niet in
kiellinie varen, of indien verscheidene motorschepen tezamen een
motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteren, moet elk
van deze schepen, in plaats van de tekens bedoeld in lid 1 hierboven,
voeren (schets 6, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
drie toplichten op het voorschip, in de lengteas van het schip, in een
verticale lijn telkens met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het
bovenste en het onderste op dezelfde hoogte als voor de in lid 1
bedoelde toplichten is voorgeschreven;
- overdag :
de cilinder zoals voorgeschreven in lid 1.
3. Een schip van een sleep anders dan het motorschip of één der
motorschepen, bedoeld in leden 1 en 2 hierboven, moet voeren (schets 7,
aanhangsel 3) :
- 's nachts :
een wit helder rondom zichtbaar licht, op een hoogte van ten minste 5 m.
Indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt, mag deze
hoogte worden verminderd tot 4 m;
- overdag :
een gele bol, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat hij
van alle zijden zichtbaar is.
Indien echter :
a) de lengte van de sleep meer dan 110 m is, moeten er 's nachts twee
dergelijke lichten worden gevoerd, waarvan één voorop en één achterop
(schets 8, aanhangsel 3);
b) de sleep is samengesteld uit meer dan twee aan langszijde van elkaar
vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijde dit
licht of deze lichten of deze bol voeren (schets 9, aanhangsel 3).
Voor zover mogelijk dienen de lichten van een sleep op dezelfde hoogte
boven het water te zijn.
4. Het schip of de schepen die de laatste lengte van een sleep vormen
moeten 's nachts, behalve het licht of de lichten voorgeschreven in lid
3, een heklicht voeren dat voldoet aan de specificaties van lid 1.c) van
artikel 3.08 (schets 10, aanhangsel 3). Indien echter de laatste lengte
van een sleep is samengesteld uit meer dan twee aan langszijde van
elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijde
deze lichten voeren (schets 11, aanhangsel 3). Indien de laatste lengte
van een sleep uit kleine schepen bestaat, wordt voor de toepassing van
dit lid geen rekening gehouden met deze kleine schepen.
5. Indien het in lid 3 bedoelde schip rechtstreeks van zee komt of
rechtstreeks naar zee gaat, mag het, in plaats van de tekens
voorgeschreven in lid 3 voeren (schets 12, aanhangsel 3)
- 's nachts :
boordlichten die voldoen aan artikel 3.08, lid 1. b) ;
- overdag :
een gele bol zoals voorgeschreven in lid 3. Het schip is echter niet
verplicht deze bol te voeren.
6. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op een klein
schip dat slechts kleine schepen sleept of op het slepen van een klein
schip.
Art. 3.10. Tekens van duwstellen
1. Een duwstel moet 's nachts voeren (schets 13, aanhangsel 3) :
a) i) drie toplichten op het voorschip van het voorste schip of van het
meest aan bakboord geplaatste der voorste schepen. Deze lichten dienen
in de vorm van een gelijkzijdige driehoek met horizontale basis in een
vlak loodrecht op de lengteas van het duwstel aangebracht te zijn.
Het bovenste licht moet ten minste 5 m hoog staan. De beide onderste
lichten, ongeveer 1,25 m uit elkaar, staan ongeveer 1,10 m onder het
bovenste licht;
ii) een toplicht op het voorschip van elk ander schip dat van voren over
de volle breedte zichtbaar is, voor zover mogelijk 3 m lager dan het
bovenste licht, bedoeld onder punt i) ;
De masten waaraan deze lichten worden gevoerd moeten geplaatst zijn in
de lengteas van het schip waarop zij zich bevinden;
b) boordlichten welke voldoen aan de specificaties van lid 1. b) van
artikel 3.08; deze lichten dienen geplaatst te zijn op het breedste
gedeelte van het duwstel, zo dicht mogelijk bij de duwboot, ten hoogste
1 m binnen de zijkanten van het duwstel en op een hoogte van ten minste
2 m;
c) i) drie heklichten op de duwboot, geplaatst in een horizontale lijn
loodrecht op de lengteas, telkens ongeveer 1,25 m uit elkaar, op een
zodanige hoogte dat zij niet door één van de andere schepen van het
duwstel aan het zicht kunnen worden onttrokken;
ii) een heklicht op elk ander schip dat van achteren over de volle
breedte zichtbaar is. Indien, behalve de duwboot, meer dan twee schepen
van achteren zichtbaar zijn, moet dit licht alleen door de schepen aan
de buitenzijde worden gevoerd (schets 14, aanhangsel 3).
Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, lid 1. c).
2. Een duwstel dat wordt geassisteerd door één of meer motorschepen moet
voeren (schets 15, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
de lichten voorgeschreven in lid 1. De lichten bedoeld in lid 1. c) i)
dienen echter gele lichten te zijn;
- overdag :
een gele bol op de duwboot op een hoogte van ten minste 5 m.
3. Een duwstel dat door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen
moet de heklichten zoals bedoeld in lid 1. c) i) voeren op de duwboot
aan stuurboord; de andere duwboot moet het heklicht bedoeld in lid 1. c)
ii) voeren (schets 16, aanhangsel 3).
Art. 3.11. Tekens van gekoppelde samenstellen
1. Een gekoppeld samenstel moet 's nachts voeren :
a) op ieder schip een toplicht, overeenkomstig de bepalingen van lid
1.a) van artikel 3.08 (schets 17, aanhangsel 3). Op een schip dat geen
motorschip is, mag in plaats van dit licht een wit helder rondom
zichtbaar licht worden gevoerd, overeenkomstig de bepalingen van lid 3
van artikel 3.09, op een geschikte plaats en niet hoger dan het toplicht
van het motorschip of de toplichten van de motorschepen (schets 18,
aanhangsel 3);
b) boordlichten aan de buitenzijden van het samenstel, overeenkomstig de
bepalingen van lid 1. b) van artikel 3.08, voor zover mogelijk op
dezelfde hoogte en ten minste 1 m lager dan het laagste toplicht, zoals
bedoeld onder punt a) ;
c) een heklicht op ieder schip, overeenkomstig de bepalingen van lid
1.c) van artikel. 3.08.
2. Een gekoppeld samenstel geassisteerd door één of meer motorschepen
moet voeren (schets 19, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
de lichten zoals voorgeschreven in lid 1;
- overdag :
een gele bol op elk schip van het samenstel, voorop op een hoogte van
ten minste 5 m.
3. Indien bij een gekoppeld samenstel het langszijde van het motorschip
vastgemaakte andersoortige schip rechtstreeks van zee komt of
rechtstreeks naar zee vaart, mag het motorschip in plaats van de bij lid
1 voorgeschreven lichten, de lichten bedoeld in artikel 3.09, lid 1,
voeren en mag het andere schip boordlichten en een heklicht voeren,
geplaatst volgens de bepalingen van artikel 3.08, lid 1. b) en c).
4. Dit artikel is niet van toepassing op een klein schip dat slechts
langszijde daarvan vastgemaakte kleine schepen voortbeweegt of,
langszijde van een ander schip vastgemaakt wordt voortbewogen.
Art. 3.12. Tekens van grote zeilschepen
1. Een groot zeilschip moet 's nachts voeren (schets 20, aanhangsel 3) :
a) boordlichten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.08, lid 1.b)
; dit mogen gewone lichten zijn;
b) een heklicht, overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.08, lid
1.c).
c) twee heldere of gewone rondom zichtbare lichten in een verticale
lijn, het bovenste rood en het onderste groen, met een onderlinge
afstand van ten minste 1 m, aan of nabij de top van de mast, waar zij
het best kunnen worden gezien. Inzake het toplicht van een groot
zeilschip dat aan het vissen is gelden echter de voorschriften van
artikel 3.37.
2. Een groot zeilend schip dat tegelijkertijd zijn mechanische middelen
tot voortbeweging gebruikt moet overdag voeren (schets 21, aanhangsel 3)
een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, op een
plaats waar deze het best kan worden gezien.
Art. 3.13. Tekens van kleine schepen
1. Een alleen varend klein motorschip moet 's nachts voeren (schets 22,
aanhangsel 3) :
a) een toplicht in de lengteas van het schip, ten minste 1 m hoger dan
de boordlichten. Dit licht moet echter, in plaats van een krachtig
licht, een helder licht zijn;
b) boordlichten; zij mogen gewone lichten zijn in plaats van heldere
lichten en zij moeten worden aangebracht :
i) hetzij zoals voorgeschreven in artikel 3.08 lid 1. b) ;
ii) hetzij onmiddellijk naast elkaar of in één lantaarn verenigd in de
lengteas van het schip aan of nabij de boeg (schets 23, aanhangsel 3);
c) een heklicht op het achterschip, op zodanige hoogte dat het voor een
oploper goed zichtbaar is. Dit licht moet niet worden gevoerd indien het
onder punt a) bedoelde toplicht wordt vervangen door een wit rondom
zichtbaar licht (schets 24, aanhangsel 3).
2. Een alleen varend klein motorschip zonder dek, met een lengte van
minder dan 7 m en waarvan de hoogst bereikbare snelheid niet meer is dan
13 km/h, mag, in plaats van de bij lid 1 voorgeschreven lichten, een wit
gewoon rondom zichtbaar licht voeren (schets 25, aanhangsel 3).
3. Een klein motorschip dat slechts kleine schepen sleept ofwel
langszijde daarvan vastgemaakte kleine schepen voortbeweegt, moet 's
nachts de lichten voorgeschreven in lid 1 voeren.
4. Een klein schip dat wordt gesleept ofwel langszijde van een ander
schip vastgemaakt wordt voortbewogen, moet 's nachts een wit gewoon
rondom zichtbaar licht voeren (schets 26, aanhangsel 3). Deze bepaling
is niet van toepassing op een bijboot van een schip.
5. Een klein zeilschip moet 's nachts voeren :
- hetzij boordlichten en een heklicht, zodanig dat de boordlichten naast
elkaar of in één lantaarn verenigd in de lengteas van het schip of nabij
de boeg en het heklicht op het achterschip zijn aangebracht (schets 27,
aanhangsel 3). Deze lichten mogen gewone lichten zijn;
- hetzij boordlichten en een heklicht, verenigd in één lantaarn, aan of
nabij de top van de mast waar deze het best kan worden gezien (schets
28, aanhangsel 3). Dit mag een gewoon licht zijn;
- hetzij, indien de lengte van het schip minder dan 7 m bedraagt, een
wit rondom zichtbaar licht op een zodanige hoogte, dat het van alle
zijden zichtbaar is. Bij het naderen van een ander schip, bij gevaar
voor aanvaring, moet het schip een tweede gewoon wit licht tonen om de
aandacht te trekken (schets 29, aanhangsel 3).
5bis. Een zeilschip dat tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot
voortbeweging gebruikt moet overdag het teken voeren voorzien in artikel
3.12, lid 2.
6. Een alleen varend klein schip dat door spierkracht wordt
voortbewogen, moet 's nachts een wit gewoon rondom zichtbaar licht
voeren. Ingeval geen mast aanwezig is, kan worden volstaan met het
gereed hebben van een brandende lantaarn, zodanig dat deze tijdig kan
worden getoond om aanvaring te voorkomen (schets 30, aanhangsel 3).
Art. 3.14. Bijkomende tekens van schepen die bepaalde gevaarlijke
stoffen vervoeren
1. Een schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het
ADNR, of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontgast
of nog niet is ontdaan van restlading, moet, overeenkomstig het ADNR nr.
7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, als bijkomend teken voeren (schets 31,
aanhangsel 3) :
- 's nachts :
een blauw licht;
- overdag :
een blauwe kegel met de punt naar beneden.
2. Een schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen
vervoert, bedoeld in het ADNR, of dat na het vervoer van dergelijke
stoffen nog niet is ontgast of nog niet is ontdaan van restlading, moet,
overeenkomstig het ADNR nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, als bijkomend teken
voeren (schets 32, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
twee blauwe lichten;
- overdag :
twee blauwe kegels met de punt naar beneden.
3. Een schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het
ADNR, of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontgast
of nog niet is ontdaan van restlading, moet, overeenkomstig het ADNR nr.
7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, als bijkomend teken voeren (schets 33,
aanhangsel 3) :
- 's nachts :
drie blauwe lichten;
- overdag :
drie blauwe kegels met de punt naar beneden.
4. Indien een duwstel of een gekoppeld samenstel één of meer schepen
bevat, bedoeld in één der voorgaande leden, moet, in plaats van dit
schip of deze schepen, de duwboot of het schip dat dient voor het
voortbewegen van het gekoppeld samenstel het teken of de tekens vermeld
in dat lid, voeren (schetsen 34 en 35, aanhangsel 3).
Een duwstel dat door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen moet
deze tekens op de duwboot aan stuurboord voeren (schets 36, aanhangsel
3).
5. Een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat verschillende
gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in leden 1, 2 of 3, moet
uitsluitend de tekens voeren voorgeschreven voor de gevaarlijke stof die
volgens de voorgaande leden het grootste aantal blauwe lichten of kegels
vereist.
6. De sterkte van de blauwe lichten voorgeschreven in dit artikel dient
ten minste gelijk te zijn aan die van blauwe gewone lichten.
7. Een schip dat in het bezit is van een certificaat van goedkeuring,
bedoeld in het ADNR, nr. 8.1.8, en dat voldoet aan de
veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in lid 1,
mag, indien het vraagt om gelijktijdig te worden geschut met een schip
dat de tekens bedoeld in lid 1 moet voeren, bij het naderen van een
sluis, de tekens bedoeld in lid 1 voeren.
8. De tekens moeten op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte
worden gevoerd dat ze van alle zijden zichtbaar zijn. Zij mogen
tezelfdertijd zowel op het voor- als op het achterschip worden gevoerd
op een hoogte van ten minste 3 m. Indien méér dan één kegel of licht
wordt gevoerd moeten deze in een verticale lijn staan met een onderlinge
afstand van ongeveer 1 m.
Art. 3.15. Tekens van passagiersschepen
Een passagiersschip waarvan de lengte van de romp minder dan 20 m
bedraagt, moet voeren (schets 37, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
de tekens overeenkomstig artikel 3.08 waarbij het toplicht wordt
vervangen door een geel rondom zichtbaar licht;
- overdag :
een gele ruit, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat zij
van alle zijden zichtbaar is.
Art. 3.16. Tekens van veerponten
1. Een niet vrij varende veerpont moet voeren (schets 38, aanhangsel 3)
:
- 's nachts :
a) een wit helder rondom zichtbaar licht op een hoogte van ten minste 5
m. Deze hoogte mag echter worden verminderd, indien de veerpont ten
hoogste 15 m lang is;
b) een groen helder rondom zichtbaar licht ongeveer 1 m boven het onder
punt a) bedoelde licht;
- overdag :
een groene bol op een hoogte van ten minste 5 m. Deze hoogte mag echter
worden verminderd, indien de veerpont ten hoogste 15 m lang is.
2. De voorste ankerschuit of drijver van een veerpont aan een langskabel
moet 's nachts voorzien zijn van een wit helder rondom zichtbaar licht,
ten minste 3 m boven het wateroppervlak (schets 39, aanhangsel 3).
3. Een vrij varende veerpont moet voeren (schets 40, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
a) een wit helder rondom zichtbaar licht overeenkomstig de bepalingen
van lid 1. a) ;
b) een groen helder rondom zichtbaar licht overeenkomstig de bepalingen
van lid 1. b) ;
c) boordlichten en een heklicht, overeenkomstig de bepalingen van
artikel 3.08, lid 1. b) en c) ;
- overdag :
een groene bol op een hoogte van ten minste 5 m. Deze hoogte mag echter
worden verminderd, indien de veerpont ten hoogste 15 m lang is.
Art. 3.17. Bijkomend teken van schepen die voorrang hebben
Een schip dat recht van voorrang heeft gekregen voor de doorvaart op
plaatsen waar de volgorde van doorvaren is geregeld en dat van dit recht
gebruik wil maken moet teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend
dagteken een rode wimpel voeren op het voorschip op een voldoende hoogte
om goed zichtbaar te zijn (schets 41, aanhangsel 3).
Art. 3.18. Bijkomende tekens van schepen die onmanoeuvreerbaar worden
1. Elk schip dat onmanoeuvreerbaar wordt moet, om dit kenbaar te maken,
behalve de door dit reglement voorgeschreven lichten, als bijkomende
tekens zo nodig tonen (schets 42, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
a) hetzij een rood licht waarmee heen en weer wordt gezwaaid; bij kleine
schepen mag dit licht wit in plaats van rood zijn;
b) hetzij twee rode rondom zichtbare lichten in een verticale lijn met
een onderlinge afstand van ongeveer 1 m op een geschikte plaats en op
een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn;
- overdag :
c) hetzij een rode vlag of een rood bord waarmee heen en weer wordt
gezwaaid;
d) hetzij twee zwarte bollen in een verticale lijn met een onderlinge
afstand van ongeveer 1 m op een geschikte plaats en op een zodanige
hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
2. De tekens bedoeld in lid 1 vervangen of vullen zo nodig het
geluidssein voorgeschreven in aanhangsel 6, A, aan.
Art. 3.19. Tekens van varende drijvende voorwerpen en drijvende
inrichtingen
Onverminderd de bijzondere voorschriften die ingevolge artikel 1.21
kunnen worden gesteld, moet een drijvend voorwerp of een drijvende
inrichting 's nachts witte heldere rondom zichtbare lichten voeren, in
voldoend aantal om de omtrek aan te duiden en op een zodanige hoogte dat
zij van alle zijden zichtbaar zijn (schets 43, aanhangsel 3).
Afdeling III. - Tekens tijdens het stilliggen
Art. 3.20. Tekens van stilliggende schepen
1. Een schip dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt moet 's
nachts voeren een wit gewoon rondom zichtbaar licht aan de zijde van de
vaargeul op een hoogte van ten minste 3 m (schets 44, aanhangsel 3).
In plaats van dit licht mogen ook twee witte, gewone, rondom zichtbare
lichten aan de zijde van de vaargeul op dezelfde hoogte, één op het
voorschip en één op het achterschip, worden gevoerd.
2. Een groot schip dat stilligt zonder direct of indirect aan de oever
gemeerd te liggen moet voeren (schets 45, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
twee witte gewone rondom zichtbare lichten waar deze het best kunnen
worden gezien, het ene op het voorschip op een hoogte van ten minste 4 m
en het andere op het achterschip op een hoogte van ten minste 2 m en ten
minste 2 m lager dan het licht op het voorschip;
- overdag :
een zwarte bol op het voorschip, op een zodanige hoogte dat hij van alle
zijden zichtbaar is.
Een duwbak of zeeschipbak moet de bol op een geschikte plaats voeren en
niet noodzakelijk op het voorschip.
3. Een duwstel dat stilligt zonder direct of indirect aan de oever
gemeerd te liggen moet op elk der schepen voeren (schets 46, aanhangsel
3) :
- 's nachts :
een wit gewoon rondom zichtbaar licht, op een plaats waar dit het best
kan worden gezien en op een hoogte van ten minste 4 m.
Het aantal lichten op de duwbakken mag tot 4 worden beperkt op
voorwaarde dat de omtrek van het duwstel behoorlijk is aangeduid;
- overdag :
een zwarte bol op de duwboot of de duwboten en op het voorste
andersoortige schip of de voorste andersoortige schepen aan de
buitenzijden.
4. Een klein schip, met uitzondering van de bijboot van een schip, dat
stilligt zonder direct of indirect aan de oever gemeerd te liggen moet
voeren (schets 47, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
een wit gewoon rondom zichtbaar licht op een gepaste hoogte waar dit het
best kan worden gezien;
- overdag :
een zwarte bol op een geschikte plaats.
5. De in dit artikel bedoelde lichten behoeven niet te worden gevoerd
door een schip :
a) dat ligt aan een vaarweg waar varen niet mogelijk of verboden is;
b) dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt en vanwege de aldaar
aanwezige verlichting voldoende zichtbaar is;
c) dat op een veilige ligplaats ligt;
d) dat ligt aan een vaarweg of een gedeelte van een vaarweg aangeduid
door het verkeersteken E.5 (aanhangsel 7), aangevuld met een bijkomend
teken F.4 (aanhangsel 7) met de doorgehaalde tekst « LICHTEN » of « FEUX
».
6. Dit artikel is niet van toepassing op de schepen bedoeld in artikel
3.22, 3.25, 3.34, lid 2 en 3.37.
Art. 3.21. Bijkomende tekens van stilliggende schepen die bepaalde
gevaarlijke stoffen vervoeren
Artikel 3.14 blijft van toepassing voor stilliggende schepen, duwstellen
of gekoppelde samenstellen (schetsen 48, 49 en 50, aanhangsel 3).
Art. 3.22. Tekens van op hun aanlegplaatsen stilliggende veerponten
1. Een op zijn aanlegplaats stilliggende niet vrij varende veerpont moet
's nachts de bij artikel 3.16, lid 1 voorgeschreven lichten voeren
(schets 51, aanhangsel 3). Bovendien moet de voorste ankerschuit of
drijver van een veerpont aan een langskabel 's nachts het bij artikel
3.16, lid 2 voorgeschreven licht voeren.
2. Een op zijn aanlegplaats stilliggende vrij varende veerpont, in
dienst, moet 's nachts de bij artikel 3.16, lid 1 voorgeschreven lichten
voeren (schets 52, aanhangsel 3). Hij mag bovendien de bij artikel 3.08
lid 1.b) en c) voorgeschreven lichten blijven voeren. Het groene licht
bedoeld in artikel 3.16, lid 3.b) moet worden gedoofd zodra de veerpont
buiten dienst is.
Art. 3.23. Tekens van drijvende voorwerpen en van drijvende inrichtingen
die stilliggen
Onverminderd de bijzondere voorschriften die op grond van artikel 1.21
kunnen worden gesteld, moeten een drijvend voorwerp en een drijvende
inrichting 's nachts voeren witte gewone rondom zichtbare lichten, in
voldoend aantal om hun omtrek aan de zijde van de vaargeul aan te
duiden, op een zodanige hoogte dat zij van de vaargeul af goed zichtbaar
zijn (schets 53, aanhangsel 3). Artikel 3.20, lid 5, is eveneens van
toepassing.
Art. 3.24. Bijkomende tekens voor netten of uitleggers van stilliggende
schepen
Een stilliggend schip dat op een vaarweg een net of een uitlegger in of
in nabijheid van de vaargeul heeft uitstaan, moet, om dit kenbaar te
maken, als bijkomend teken, en wel zodanig dat het zijn net of uitlegger
aanduidt, voeren (schets 54, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
een wit gewoon rondom zichtbaar licht;
- overdag :
een gele vlag.
Art. 3.25. Tekens van in bedrijf zijnde drijvende werktuigen en van
vastgevaren of gezonken schepen
1. Een in bedrijf zijnd drijvend werktuig of een schip dat in de
vaargeul werken uitvoert of dat peilingen of metingen verricht, moet
voeren :
a) aan de zijde of de zijden waar de doorvaart vrij is (schets 55,
aanhangsel 3) :
- 's nachts :
twee groene gewone of heldere rondom zichtbare lichten in een verticale
lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
- overdag :
twee groene ruiten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van
ongeveer 1 m;
b) aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is (schets 56, aanhangsel 3)
:
- 's nachts :
een rood rondom zichtbaar licht op dezelfde hoogte als het bovenste van
de onder a) voorgeschreven groene lichten en van dezelfde lichtsterkte
als die lichten;
- overdag :
een rode bol op dezelfde hoogte als de bovenste van de onder a)
voorgeschreven groene ruiten.
In het geval dat deze schepen willen worden beschermd tegen hinderlijke
waterbeweging :
c) aan de zijde of de zijden waar de doorvaart vrij is (schets 57,
aanhangsel 3) :
- 's nachts :
een rood gewoon rondom zichtbaar licht en een wit gewoon rondom
zichtbaar licht, in een verticale lijn, met een onderlinge afstand van
ongeveer 1 m, het bovenste rood en onderste wit;
- overdag :
een bord waarvan de bovenste helft rood en de onderste helft wit is,
ofwel twee borden in een verticale lijn, het bovenste rood en het
onderste wit;
d) aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is (schets 58, aanhangsel 3)
:
- 's nachts :
een rood rondom zichtbaar licht op dezelfde hoogte als het onder c)
voorgeschreven rode licht en van dezelfde lichtsterkte als dit licht;
- overdag :
een rood bord op dezelfde hoogte als het rood-witte bord of als het rode
bord, voorgeschreven onder c).
Al deze tekens moeten op een zodanige hoogte aangebracht zijn, dat zij
van alle zijden zichtbaar zijn. De borden mogen worden vervangen door
vlaggen van dezelfde kleur.
2. Vastgevaren of gezonken schepen moeten de tekens voorgeschreven in
lid 1.c) en d) voeren. Indien een gezonken schip zodanig ligt dat daarop
de tekens niet kunnen worden aangebracht, moeten deze op roeiboten, op
boeien of op een andere doelmatige wijze zijn geplaatst.
Art. 3.26. Tekens van schepen, drijvende voorwerpen en drijvende
inrichtingen waarvan de ankers een gevaar voor de scheepvaart kunnen
vormen
1. Indien de ankers van een schip, zodanig zijn uitgezet, dat zij, of
hun kabels of kettingen een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen,
moet 's nachts, teneinde dit kenbaar te maken, een tweede wit gewoon
rondom zichtbaar licht als bijkomend licht worden gevoerd (schets 59,
aanhangsel 3) :
a) hetzij, indien op het schip artikel 3.20, lid 1, 3 of 4 van
toepassing is, ongeveer 1 m loodrecht onder het aldaar bedoelde licht.
Indien in het geval van artikel 3.20, lid 1, twee van deze lichten
aangebracht zijn, moet het bijkomend licht worden gevoerd onder het
licht dat het dichtst bij het uitstaande anker aangebracht is;
b) hetzij, indien op het schip artikel 3.20, lid 2 van toepassing is,
ongeveer 1 m loodrecht onder het aldaar bedoelde licht op het voorschip.
2. Een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting waarvan één of meer
ankers zodanig zijn uitgezet, dat daardoor een gevaar voor de
scheepvaart kan worden gevormd, moet van de in artikel 3.23 bedoelde
lichten het licht, hetzij elk van de lichten die zich het dichtst bij
het anker of de ankers bevindt, vervangen door twee rondom zichtbare
lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1
m (schets 60, aanhangsel 3).
3. Een schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting moet elk anker,
bedoeld in leden 1 en 2, dat een gevaar voor de scheepvaart kan vormen
aanduiden door een gele boei voorzien van een radarreflector (schetsen
59 en 60, aanhangsel 3).
4. Een drijvend werktuig waarvan één of meer ankers een gevaar voor de
scheepvaart kunnen vormen moet dit anker of deze ankers aanduiden door
(schets 61, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
een boei voorzien van een gewoon wit rondom zichtbaar licht en een
radarreflector;
- overdag :
een gele boei voorzien van een radarreflector.
Afdeling IV. - Bijzondere tekens
Art. 3.27. Bijkomend teken van schepen van toezichthoudende ambtenaren
en van brandweerschepen
Schepen van openbare besturen of reddingsdiensten zoals beheerder,
havenbestuur, leger, politie, brandweer, burgerlijke bescherming,
gezondheidsdienst, ..., die met dringende opdracht zijn mogen,
onverminderd de tekens die zij ingevolge andere reglementaire bepalingen
voeren, als bijkomend teken voeren, zowel 's nachts als overdag : een
gewoon blauw rondom zichtbaar flikkerlicht of snel flikkerlicht, dat van
alle zijden zichtbaar is (schets 62, aanhangsel 3).
Art. 3.28. Bijkomend teken van schepen die werkzaamheden in of nabij de
vaargeul uitvoeren
Een schip dat in of nabij de vaargeul werkzaamheden uitvoert of dat
peilingen of metingen verricht, moet, onverminderd de tekens die het
ingevolge andere reglementaire bepalingen voert, als bijkomend licht
voeren, zowel 's nachts als overdag : een geel helder of gewoon rondom
zichtbaar flikkerlicht of snel flikkerlicht (schets 63, aanhangsel 3).
Art. 3.29. Bijkomende tekens met het oog op de bescherming tegen
hinderlijke waterbeweging
1. De varende of stilliggende schepen, drijvende voorwerpen of drijvende
inrichtingen, die willen worden beschermd tegen hinderlijke
waterbeweging veroorzaakt door het langsvaren van andere schepen of
drijvende voorwerpen, mogen om dit kenbaar te maken en onverminderd de
tekens die ze ingevolge andere reglementaire bepalingen voeren, als
bijkomende tekens voeren (schets 64, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
een rood helder of gewoon rondom zichtbaar licht en een wit helder of
gewoon rondom zichtbaar licht, in een verticale lijn met een onderlinge
afstand van ongeveer 1 m, het bovenste rood en het onderste wit, op een
zodanige plaats dat zij van alle zijden zichtbaar zijn en niet met
andere lichten kunnen worden verward;
- overdag :
een bord waarvan de bovenste helft rood en de onderste helft wit is
ofwel twee borden in een verticale lijn, het bovenste rood en het
onderste wit, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat elk
bord van alle zijden zichtbaar is.
De borden mogen door vlaggen van dezelfde kleur worden vervangen.
2. De in lid 1 bedoelde tekens mogen slechts worden gevoerd door
schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen die :
a) zwaar zijn beschadigd;
b) deelnemen aan een bergingsoperatie;
c) in de vaargeul werkzaamheden verrichten;
d) niet of beperkt manoeuvreerbaar zijn.
Art. 3.30. Noodtekens
1. Een in nood verkerend schip, dat hulp wil inroepen, mag tonen (schets
65, aanhangsel 3) :
a) een vlag of ieder ander geschikt voorwerp waarmee in het rond wordt
gezwaaid;
b) een vlag met daarboven of daaronder een bol of een daarop gelijkend
voorwerp;
c) een licht waarmee in het rond wordt gezwaaid;
d) vuurpijlen, lichtkogels, parachutelichten of rookbommen die bij
voorkeur een rood licht produceren;
e) een lichtsignaal overeenkomend met het SOS-teken in Morse-code
(...---...);
f) vlammen, door het verbranden van teer, olie, enz.;
g) het herhaald op en neer bewegen van beide gestrekte armen.
Deze tekens mogen zowel afzonderlijk als in combinatie worden aangewend.
2. Deze tekens vervangen de geluidsseinen voorzien in artikel 4.01, lid
4, of vullen deze aan.
3. Een schip kan medische hulp inroepen door het geven van 4 korte
stoten, gevolgd door 1 lange stoot.
Art. 3.31. Verbod van toegang aan boord
1. Indien op grond van wettelijke bepalingen de toegang aan boord van
een schip voor onbevoegden is verboden, moet het schip dit aan boord of
bij de loopplank aanduiden door één of meer witte ronde borden, rood
omrand, met een rode diagonaal en daarop in zwart de figuur van een
persoon met opgeheven hand, zoals in schets 66, aanhangsel 3. De
diameter moet ongeveer 0,60 m bedragen.
1bis. Voor schepen die voorzien zijn van een certificaat van goedkeuring
afgegeven overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor het
vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn, goedgekeurd bij koninklijk
besluit van 2 december 1971, mag het in het vorige lid bedoelde bord
worden vervangen door het overeenkomstige bord voorgeschreven voor de
Rijn.
2. 's Nachts moeten deze borden zodanig zijn verlicht dat zij duidelijk
zichtbaar zijn.
Art. 3.32. Verbod tot vuur, open vlam en roken
1. Indien op grond van wettelijke bepalingen vuur, open vlam en roken
aan boord van een schip in het algemeen is verboden, moet het schip dit
aan boord of bij de loopplank aanduiden door één of meer witte ronde
borden, rood omrand, met een rode diagonaal en daarop in zwart de figuur
van een brandende lucifer, zoals in schets 67, aanhangsel 3. De diameter
moet ongeveer 0,60 m bedragen.
1bis. Voor schepen die voorzien zijn van een certificaat van goedkeuring
afgegeven overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor het
vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn, goedgekeurd bij koninklijk
besluit van 2 december 1971, mag het in het vorige lid bedoelde bord
worden vervangen door het overeenkomstige bord voorgeschreven voor de
Rijn.
2. 's Nachts moeten deze borden zodanig zijn verlicht dat zij duidelijk
zichtbaar zijn.
Art. 3.33. Verbod om evenwijdig aan een schip ligplaats te nemen
1. Indien op grond van wettelijke bepalingen het verboden is dichtbij
een schip evenwijdig daaraan ligplaats te nemen, moet dit schip op het
dek in de lengteas voeren : een vierkant bord met aan de onderzijde een
driehoek. Het bord moet aan beide zijden wit zijn met een rode rand en
een rode diagonale balk van linksboven naar rechtsonder en met, in het
zwart, de letter P; de driehoek moet aan beide zijden wit zijn, met in
het zwart, cijfers die de afstand in meter aangeven waarbinnen geen
ligplaats mag worden genomen (schets 68, aanhangsel 3).
2. 's Nachts moeten het bord en de driehoek zodanig zijn verlicht dat
zij aan beide zijden van het schip duidelijk zichtbaar zijn.
3. Dit artikel is niet van toepassing op schepen, duwstellen of
gekoppelde samenstellen bedoeld in artikel 3.21.
Art. 3.34. Bijkomende tekens van schepen die slechts beperkt kunnen
manoeuvreren
1. Een schip dat wegens de uitvoering van werkzaamheden in de vaargeul
of onder water - onder meer baggeren, plaatsen van kabels of boeien -
beperkt is in zijn mogelijkheden om voor andere schepen uit te wijken
zoals voorgeschreven door de vaarregels van dit reglement en dat door
zijn positie of gedrag aanleiding kan geven tot een gevaarlijke situatie
voor de scheepvaart, moet, onverminderd de tekens die het ingevolge
andere reglementaire bepalingen voert, als bijkomende tekens voeren
(schets 70, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
drie heldere of gewone rondom zichtbare lichten in een verticale lijn
met een onderlinge afstand van ten minste 1 m, op een zodanige hoogte
dat zij van alle zijden zichtbaar zijn, het bovenste en het onderste
rood en het middelste wit;
- overdag :
een zwarte bol, een zwarte ruit en een zwarte bol in een verticale lijn
met een onderlinge afstand van ten minste 1 m, op een zodanige hoogte
dat zij van alle zijden zichtbaar zijn, de ruit in het midden.
2. Indien de doorvaart niet aan beide zijden van het in lid 1 bepaalde
schip vrij is, moet het schip behalve de in dit lid bedoelde tekens
voeren (schets 71, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
a) aan de zijde of de zijden waar de doorvaart niet vrij is :
twee rode heldere of gewone rondom zichtbare lichten in een verticale
lijn met een onderlinge afstand van ten minste 1 m;
b) aan de zijde of de zijden waar de doorvaart vrij is :
twee groene heldere of gewone rondom zichtbare lichten in een verticale
lijn met een onderlinge afstand van ten minste 1 m;
- overdag :
c) aan de zijde of de zijden waar de doorvaart niet vrij is :
twee zwarte bollen in een verticale lijn met een onderlinge afstand van
ten minste 1 m;
d) aan de zijde of de zijden waar de doorvaart vrij is :
twee zwarte ruiten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van
ten minste 1 m.
De in dit lid bedoelde lichten, bollen en ruiten mogen niet hoger zijn
aangebracht dan het laagste van de lichten of bollen bedoeld in lid 1,
en zij moeten ten minste 2 m daarvan verwijderd zijn.
3. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op
stilliggende, in bedrijf zijnde drijvende werktuigen.
Art. 3.35. Bijkomende tekens van mijnopruimingsvaartuigen
Een schip bezig met het opruimen van mijnen moet, om dit kenbaar te
maken, en onverminderd de tekens die het ingevolge andere reglementaire
bepalingen voert, als bijkomende tekens voeren (schets 72, aanhangsel 3)
:
- 's nachts :
drie groene heldere of gewone rondom zichtbare lichten, geplaatst in een
driehoeksformatie met horizontale basis in een vlak loodrecht op de
langsas van het schip. Het bovenste licht dient zich aan of nabij de top
van de mast op het voorschip te bevinden, de andere elk aan één uiteinde
van de ra van deze mast;
- overdag :
drie zwarte bollen op dezelfde plaatsen als de hierboven bedoelde groene
lichten.
Art. 3.36. Bijkomende tekens van loodsboten
Een schip dat loodsdienst uitoefent moet, om dit kenbaar te maken, en
onverminderd de tekens die het ingevolge andere reglementaire bepalingen
voert, als bijkomend teken voeren zowel 's nachts, in plaats van het in
artikel 3.08, lid 1 bedoelde toplicht, als overdag (schets 73,
aanhangsel 3) :
twee heldere of gewone rondom zichtbare lichten, in een verticale lijn,
het bovenste wit en het onderste rood, van alle zijden zichtbaar en
geplaatst aan of nabij de top van de mast op het voorschip.
Art. 3.37. Bijkomende tekens van schepen die aan het vissen zijn
1. Een schip dat aan het vissen is en door het water een sleepnet of een
ander vistuig rondsleept moet, om dit kenbaar te maken, en onverminderd
de tekens die het ingevolge andere reglementaire bepalingen voert, als
bijkomende tekens voeren (schets 74, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
twee heldere of gewone rondom zichtbare lichten, het bovenste groen en
het onderste wit, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van
ten minste 1 m, op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar
zijn.
Deze lichten moeten vóór en lager dan het toplicht zoals bedoeld in
artikel 3.08, lid 1.a) geplaatst zijn; het onderste van beide lichten
dient zich ten minste 2 m boven de boordlichten zoals bedoeld in artikel
3.08, lid 1.b) te bevinden.
Indien de lengte van het schip minder dan 50 m bedraagt, moet het schip
het toplicht, bedoeld in artikel 3.08, lid 1.a) niet voeren, maar mag
het dit voeren;
- overdag :
twee zwarte kegels met de punten tegen elkaar in een verticale lijn op
een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
2. Een schip dat aan het vissen is op een andere wijze dan bedoeld in
lid 1 moet om dit kenbaar te maken, 's nachts de in lid 1 vermelde
bijkomende tekens voeren, met dien verstande dat het groen helder of
gewoon rondom zichtbaar licht wordt vervangen door een rood helder of
gewoon rondom zichtbaar licht en het schip het toplicht zoals bedoeld in
artikel 3.08, lid 1. a) niet mag voeren (schets 75, aanhangsel 3).
Bovendien moeten de volgende bijkomende tekens worden gevoerd, indien
het vistuig meer dan 150 m, horizontaal gerekend, uitstaat (schets 76,
aanhangsel 3) :
- 's nachts :
een wit helder of gewoon rondom zichtbaar licht op een horizontale
afstand van ten minste 2 m en ten hoogste 6 m uit het rode en het witte
licht zoals hoger beschreven, en op een zodanige hoogte dat het zich
niet hoger dan dit witte licht en niet lager dan de boordlichten, zoals
bedoeld in artikel 3.08 lid 1. b) bevindt;
- overdag :
een zwarte kegel met de punt naar boven.
Art. 3.38. Bijkomend teken van schepen gebruikt bij het duiken
Een schip dat wordt gebruikt voor het duiken moet, om dit kenbaar te
maken, als bijkomend teken voeren een kopie van de internationale
seinvlag « A », vervaardigd van niet buigzaam materiaal en met een
hoogte van ten minste 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige
hoogte dat zij van alle zijden duidelijk zichtbaar is. 's Nachts moet
dit teken zodanig zijn verlicht dat het duidelijk zichtbaar is (schets
77, aanhangsel 3).
HOOFDSTUK 4. - Geluidsseinen van schepen - Marifoon en radar
Afdeling I. - Geluidsseinen
Art. 4.01. Algemene bepalingen
1. Indien ingevolge reglementaire voorschriften geluidsseinen voorzien
zijn, die geen klokslagen zijn, moeten deze gegeven worden
overeenkomstig de bepalingen in aanhangsel 6 bij dit reglement, en op de
volgende wijze :
a) voor een groot motorschip door middel van een geluidsinstallatie die
voldoende hoog is opgesteld en vrij staat naar voren en voor zover
mogelijk ook naar achteren;
b) voor een schip, dat geen motorschip is, en voor een klein schip, door
middel van een geluidsinstallatie ofwel een geschikte scheepstoeter of
hoorn.
2. Een groot motorschip moet synchroon met een geluidssein een geel
helder rondom zichtbaar lichtsein tonen (schets 69, aanhangsel 3). Deze
bepaling is niet van toepassing voor klokslagen of reeksen klokslagen.
3. Bij een samenstel mogen geluidsseinen slechts worden gegeven op last
van de schipper van het samenstel.
4. Een in nood verkerend schip dat de hulp wil inroepen mag reeksen
klokslagen of herhaalde lange stoten laten horen. Deze seinen dienen ter
vervanging of ter aanvulling van de tekens bedoeld in artikel 3.30.
5. Een reeks klokslagen moet ongeveer vier seconden duren. In plaats van
een reeks klokslagen mag ook een reeks slagen met dezelfde duur van
metaal op metaal worden gegeven.
Art. 4.02. Geven van geluidsseinen
1. Onverminderd de andere bepalingen ingevolge dit reglement moet elk
groot schip de algemene geluidsseinen geven vermeld in aanhangsel 6.
2. Een klein schip mag zo nodig de geluidsseinen geven, vermeld in
aanhangsel 6, A.
3. Een klein schip mag de geluidsseinen, vermeld in aanhangsel 6, B, C,
D en E, niet geven.
Art. 4.03. Verboden geluidsseinen
1. Het is verboden andere geluidsseinen te gebruiken dan deze vermeld in
dit reglement of de vermelde geluidsseinen te gebruiken in andere
omstandigheden dan voorgeschreven of toegelaten in dit reglement.
2. Voor het wisselen van berichten met andere schepen of met de wal is
het gebruik van andere geluidsseinen toegelaten op voorwaarde dat geen
verwarring mogelijk is met de seinen vermeld in dit reglement.
Art. 4.04. « Blijf weg »-sein
1. Schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren volgens het ADNR en die de
tekens bedoeld in artikel 3.14, lid 1, 2 of 3 moeten voeren, en die
ingevolge een ongeval of gebeurtenis gevaarlijke stoffen dreigen te
verliezen, dienen als geluidssein achtereenvolgens een korte en een
lange stoot te geven.
Dit geluidssein moet ononderbroken gedurende ten minste 15 minuten
worden herhaald. De geluidsinstallatie moet hiertoe zodanig zijn
uitgerust dat na het inschakelen het sein automatisch wordt gegeven.
Bovendien moet de inrichting zodanig beveiligd zijn, dat het sein niet
ongewild in werking kan worden gesteld.
2. Lid 1 is niet van toepassing op duwbakken noch op andere schepen
zonder bemanning. Zo deze schepen deel uitmaken van een samenstel, moet
het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt,
het bedoelde sein geven.
Art. 4.05. Gedrag van schepen die het « blijf weg »-sein horen
1. Een schip dat het in artikel 4.04 bedoelde sein hoort, moet alle
gepaste maatregelen nemen om gevaar te voorkomen, in het bijzonder :
a) indien het een koers in de richting van het gevaarsgebied voorligt,
zich zo ver mogelijk hiervan verwijderd houden en zo nodig keren;
b) indien het het gevaarsgebied reeds is gepasseerd, zijn weg vervolgen
met een zo groot mogelijke snelheid als is toegestaan.
2. Ongeacht de koers van het schip dient de schipper bijkomende
maatregelen te nemen, in het bijzonder : sluiten van ramen en andere
openingen die in verbinding met de buitenlucht staan, doven van
onbeschermde lichten en vuren, algemeen rookverbod, afzetten van
hulpmotoren die niet noodzakelijkerwijs in bedrijf zijn, alle oorzaken
van vonkvorming vermijden. Bij het ligplaats nemen, moeten alle motoren
en hulpmotoren worden afgezet.
3. Lid 2 is eveneens van toepassing op een stilliggend schip in de
nabijheid van het gevaarsgebied en dat het sein hoort. Zonodig dient de
schipper ervoor te zorgen dat het schip wordt verlaten.
4. Bij toepassing van dit artikel dient rekening te worden gehouden met
de stroom en de windrichting.
5. Dit artikel is eveneens van toepassing indien het sein niet door een
schip maar vanaf de wal wordt gegeven.
Afdeling II. - Marifoon
Art. 4.06. Marifoon
1. Een schip mag slechts gebruik maken van een goedgekeurde
marifooninstallatie.
2. Het is verboden de kanalen voor het schip-schipverkeer, de nautische
informatie en het verbinding hebben met de voor de scheepvaart
ingestelde diensten te gebruiken voor mededelingen die niet
voorgeschreven zijn door dit reglement of wanneer deze niet in het
belang zijn van de veiligheid van de scheepvaart of van de personen aan
boord.
3. Elk motorschip, waarvan de lengte van de romp meer dan 7 m is, moet
zijn uitgerust met een goed functionerende marifooninstallatie. Zij moet
functioneren op de kanalen bestemd voor het schip-schip verkeer, de
nautische informatie en de voor de scheepvaart ingestelde diensten.
4. Een met marifoon uitgerust schip moet de marifooninstallatie op
ontvangst hebben ingeschakeld gelijktijdig op de kanalen bestemd voor
schip-schip verkeer en voor de nautische informatie. Hij zendt op deze
kanalen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke berichten
uit.
5. Voor een duwstel en voor een gekoppeld samenstel zijn leden 3 en 4
slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper
van het samenstel bevindt.
Afdeling III. - Radar
Art. 4.07. Gebruik van de radar
1. Een schip mag slechts gebruik maken van een radar indien :
a) het is uitgerust met een voor de behoeften van de binnenvaart
geschikte radarinstallatie en een aanwijzer van de snelheid van draaiing
van het schip die beide goed functioneren en die van een type zijn dat
voor de binnenvaart is goedgekeurd;
b) zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een diploma dat
overeenkomstig de daaromtrent vastgestelde regelen is afgegeven; bij
goed zicht mag van een radar worden gebruik gemaakt teneinde hiermede te
oefenen, zonder dat zich een zodanig persoon aan boord bevindt.
2. Voor een duwstel, een gekoppeld samenstel en een sleep is lid 1
slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper
van het samenstel bevindt.
3. Een schip dat direct van zee komt of er direct naar toe vaart mag in
plaats van met een aanwijzer van de snelheid van draaiing zoals bedoeld
in lid 1, uitgerust zijn met een ander daartoe geschikt middel of
instrument.
4. Een niet vrij varende veerpont dient niet uitgerust met een aanwijzer
van de snelheid van draaiing zoals bedoeld in lid 1.
HOOFDSTUK 5. - Verkeerstekens. - Markering van de vaargeul
Art. 5.01. Verkeerstekens
1. Aanhangsel 7 behorend bij dit reglement vermeldt welke verkeerstekens
kunnen worden aangebracht voor de scheepvaart, en bepaalt tegelijk de
betekenis van die tekens.
De verkeerstekens worden onderscheiden in :
- A : verbodstekens
- B : gebodstekens
- C : beperkingstekens
- D : aanbevelingstekens
- E : aanwijzingstekens
- F : bijkomende tekens
- G : tekens aan kunstwerken
- H : tekens voor bewegwijzering en kilometrering
2. Onverminderd de andere reglementaire voorschriften en met inbegrip
van de bijzondere bevelen bedoeld in artikel 1.19, dienen de schippers
zich te houden aan de in lid 1 bedoelde verkeerstekens.
Art. 5.02. Markering van de vaargeul
Aanhangsel 8 behorend bij dit reglement vermeldt de tekens welke kunnen
worden aangewend voor de markering van de vaargeul, en bepaalt de
voorwaarden waaronder deze tekens worden gebruikt.
HOOFDSTUK 6. - Vaarregels
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 6.01. Definities
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
a) naderen op tegengestelde koersen : indien twee schepen elkaar naderen
op koersen die recht of vrijwel recht aan elkaar tegengesteld zijn
(schets, aanhangsel 12);
b) voorbijlopen : indien een schip (de oploper) een ander schip (de
opgelopene) nadert uit een richting van meer dan 22°30' achterlijker dan
dwars van dat schip, en het voorbijvaart (schets, aanhangsel 12);
c) kruisende koersen : indien een schip een ander nadert op een wijze
die verschilt van deze bedoeld onder a) en b) hierboven (schets,
aanhangsel 12);
d) engte : het gedeelte van de vaarweg waar de vaargeul niet voldoende
ruimte biedt voor het elkaar voorbijvaren van twee schepen.
2. In geval van twijfel hebben de regels voor het naderen op
tegengestelde koersen en voorbijlopen voorrang op de regels voor
kruisende koersen.
Art. 6.01bis. Draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen en
meerrompschepen
Grote draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen en meerrompschepen zijn
verplicht aan alle andere schepen de ruimte te laten die zij nodig
hebben om hun koers te volgen en om te manoeuvreren; zij mogen niet
verlangen, dat deze te hunnen gerieve uitwijken.
Art. 6.02. Kleine schepen : algemene beginselen
1. In dit hoofdstuk worden onder een klein schip ook verstaan : een
sleep of een gekoppeld samenstel, uitsluitend uit kleine schepen
bestaande, evenals een amfibievoertuig.
2. Wanneer een vaarregel van dit hoofdstuk niet van toepassing is tussen
een klein schip en een groot schip is het kleine schip verplicht aan het
groot schip, indien dit niet een schip is zoals bedoeld in artikel
6.01bis, de ruimte te laten die dit nodig heeft om zijn koers te volgen
en om te manoeuvreren; het mag niet verlangen, dat dit te zijnen gerieve
uitwijkt (schets, aanhangsel 12).
Art. 6.02bis. Marifoon
Onverminderd de voorschriften van dit hoofdstuk dienen de schepen tijdig
gebruik te maken van hun marifoon om voorafgaandelijk hun manoeuvre aan
te kondigen.
Afdeling II. - Naderen op tegengestelde koersen, kruisende koersen,
voorbijlopen
Art. 6.03. Algemene beginselen
1. Schepen mogen slechts elkaar voorbijvaren op tegengestelde koersen of
elkaar voorbijlopen, indien de vaargeul voldoende breed is voor de
gelijktijdige doorvaart, en dit met inachtneming van de plaatselijke
omstandigheden en de bewegingen van de andere schepen.
2. Bij een samenstel mogen de tekens voorgeschreven bij artikel 3.17 en
6.05 slechts worden getoond of voortgebracht door het schip, aan boord
waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. Indien het eerste
schip een tijdelijke hulpsleepboot is, moet dit schip eveneens de tekens
voorgeschreven bij artikel 3.17 en 6.05 tonen.
3. Schepen welke koersen volgen zó dat elk gevaar voor aanvaring is
uitgesloten mogen noch hun koers, noch hun snelheid zodanig wijzigen dat
daaruit gevaar voor aanvaring kan ontstaan.
4. Indien een schip verplicht is uit te wijken voor een ander schip,
moet laatst bedoeld schip zijn koers en zijn snelheid behouden. Indien
door welke oorzaak ook, het schip dat verplicht is zijn koers en zijn
snelheid te behouden zich zo dicht bij het schip dat moet uitwijken
bevindt, dat aanvaring door een handeling van dat schip alléén niet kan
worden vermeden, moet het de maatregelen nemen die het beste kunnen
bijdragen om aanvaring te voorkomen.
Art. 6.03bis. Kruisende koersen
1. Indien de koersen van twee schepen elkaar kruisen, zó dat gevaar voor
aanvaring bestaat, dient het schip dat de zijde van de vaargeul aan
stuurboord volgt, zijn weg te vervolgen en moet het andere schip
uitwijken (schets, aanhangsel 12).
2. Indien de koersen van twee schepen elkaar kruisen, zó dat gevaar voor
aanvaring bestaat, in geval geen der schepen de vaargeul aan stuurboord
volgt, moet het schip dat het andere aan stuurboordzijde van zich heeft
uitwijken en, indien de omstandigheden het toelaten, vermijden vóór het
andere te kruisen (schets, aanhangsel 12). Deze bepaling is niet van
toepassing tussen een klein schip en een groot schip.
3. De bepalingen van lid 2 zijn niet van toepassing in de gevallen
voorzien bij de artikelen 6.13, 6.14 en 6.16.
4. Indien de koersen van een klein motorschip, een klein zeilschip of
een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar kruisen, zó dat
gevaar voor aanvaring bestaat, in geval geen der schepen de vaargeul aan
stuurboord volgt, moet, in afwijking van lid 2 :
a) het motorschip uitwijken voor het zeilschip of het door spierkracht
voortbewogen schip (schets, aanhangsel 12), en
b) het door spierkracht voortbewogen schip uitwijken voor het zeilschip
(schets, aanhangsel 12).
5. Indien de koersen van twee zeilschepen elkaar kruisen, zó, dat gevaar
voor aanvaring bestaat, in geval geen der schepen de vaargeul aan
stuurboord volgt, moet, in afwijking van lid 2 :
a) ingeval beide schepen over verschillende boeg liggen, het schip dat
over stuurboordboeg ligt uitwijken voor het schip dat over bakboordboeg
ligt (schets, aanhangsel 12);
b) ingeval beide schepen over dezelfde boeg liggen, het loefwaartse
schip uitwijken voor het lijwaartse (schets, aanhangsel 12);
c) ingeval een schip dat over stuurboordboeg ligt aan zijn loefzijde een
schip ziet en niet met zekerheid kan bepalen, of dat schip over
stuurboord- dan wel over bakboordboeg ligt, het daarvoor uitwijken.
Dit lid is niet van toepassing tussen een klein zeilschip en een groot
zeilschip.
Art. 6.04. Naderen op tegengestelde koersen - Hoofdregel
1. Indien twee schepen elkaar naderen op tegengestelde koersen, zó dat
gevaar voor aanvaring bestaat, dient het schip dat de zijde van de
vaargeul aan stuurboord volgt, zijn weg te vervolgen en moet het andere
schip uitwijken (schets, aanhangsel 12).
2. Indien twee schepen elkaar naderen op tegengestelde koersen, zó, dat
gevaar voor aanvaring bestaat, in geval geen der schepen de vaargeul aan
stuurboord volgt, moet elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat
zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren (schets, aanhangsel 12).
Deze bepaling is niet van toepassing tussen een klein schip en een groot
schip.
3. Indien een klein motorschip, een klein zeilschip en een klein door
spierkracht voortbewogen schip elkaar naderen op tegengestelde koersen,
zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, in geval geen der schepen de
vaargeul aan stuurboord volgt, moet, in afwijking van lid 2 :
- het motorschip uitwijken, zo mogelijk naar stuurboord, voor het
zeilschip of het door spierkracht voortbewogen schip (schets, aanhangsel
12), en
- het door spierkracht voortbewogen schip uitwijken, zo mogelijk naar
stuurboord, voor het zeilschip (schets, aanhangsel 12).
4. Indien twee zeilschepen elkaar naderen op tegengestelde koersen, zó
dat gevaar voor aanvaring bestaat, in geval geen der schepen de vaargeul
aan stuurboord volgt, moet, in afwijking van lid 2, het schip dat over
stuurboordboeg ligt uitwijken voor het schip dat over bakboordboeg ligt
(schets, aanhangsel 12). Dit lid is niet van toepassing tussen een klein
zeilschip en een groot zeilschip.
Art. 6.05. Naderen op tegengestelde koersen tussen grote schepen -
Afwijking van de hoofdregel
1. Een groot schip dat zich wil begeven naar een vaargeul, een haven,
een laad- of losplaats, een sluis, een doorvaartopening van een brug,
een aanlegplaats of een plaats waar schepen mogen liggen, gelegen aan
zijn bakboordzijde, mag aan een op tegengestelde koers naderend groot
schip het verlangen kenbaar maken dat, in afwijking van artikel 6.04,
het voorbijvaren stuurboord op stuurboord geschiedt. Het schip mag het
verlangen slechts kenbaar maken, nadat het zich er van heeft vergewist,
dat het mogelijk is daaraan zonder gevaar te voldoen.
2. Het verlangen bedoeld in lid 1 wordt kenbaar gemaakt door het tijdig
geven van : twee korte stoten, en door het tegelijkertijd tonen aan
stuurboord van (schets, aanhangsel 12) :
- 's nachts :
een wit helder rondom zichtbaar flikkerlicht, eventueel in combinatie
met een lichtblauw bord;
- overdag :
een lichtblauw bord, in combinatie met een wit helder rondom zichtbaar
flikkerlicht.
Deze tekens moeten worden getoond totdat het voorbijvaren heeft plaats
gehad.
Het lichtblauwe bord, dat van beide zijden zichtbaar moet zijn, moet een
witte rand van ten minste 5 cm hebben. Het raam- en stangenwerk, evenals
het lantaarnhuis van het flikkerlicht, moet donker van kleur zijn.
3. Het schip waaraan het verlangen bedoeld in lid 1 wordt kenbaar
gemaakt moet daaraan voldoen en het moet dit kenbaar maken door eveneens
het geluidssein te geven en, indien het hiermede is uitgerust,
tegelijkertijd de tekens te tonen, bedoeld in lid 2 (schets, aanhangsel
12).
4. Zodra is te vrezen, dat de bedoeling van het schip dat het verlangen
bedoeld in lid 1 heeft kenbaar gemaakt niet is begrepen door het schip
waaraan dit is geschied, moet dit schip het geluidssein, bedoeld in lid
2, herhalen.
5. Indien het schip waaraan het verlangen wordt kenbaar gemaakt, daaraan
niet kan voldoen, moet het een reeks zeer korte stoten geven. De
schippers dienen dan alle nodige maatregelen te treffen om het gevaar te
voorkomen (schets, aanhangsel 12).
Art. 6.06. (niet overgenomen)
Art. 6.07. Naderen op tegengestelde koersen in een engte
1. Met betrekking tot het doorvaren van een engte gelden de volgende
regels :
a) een schip moet een engte zonder onnodig oponthoud doorvaren;
b) indien het uitzicht niet vrij is, moet een schip, alvorens een engte
binnen te varen, één lange stoot geven. Zo nodig, in het bijzonder
wanneer de engte lang is, moet het dit sein tijdens het doorvaren
herhalen;
c) op een vaarweg waar stroom loopt moet een voor stroom varend schip de
weg vervolgen en moet een tegen stroom varend schip de weg vrijlaten
(schets, aanhangsel 12);
d) op een vaarweg waar geen stroom loopt moet een schip dat aan
stuurboord geen hindernis tegenkomt of dat bij een bocht de buitenzijde
daarvan aan stuurboord heeft de weg vervolgen en moet een ander schip de
weg vrijlaten. Deze bepaling is niet van toepassing tussen een klein
schip en een groot schip (schets, aanhangsel 12).
2. In afwijking van lid 1. d) moet op een vaarweg waar geen stroom loopt
:
a) indien een klein zeilschip dat het niet bezeild heeft en een klein
motorschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar op
tegengestelde koersen naderen, het zeilschip de weg vrijlaten en moet
het andere schip de weg vervolgen (schets, aanhangsel 12);
b) indien een klein zeilschip dat het bezeild heeft en een klein
motorschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar op
tegengestelde koersen naderen, het zeilschip de weg vervolgen en het
andere schip de weg vrijlaten (schets, aanhangsel 12);
c) indien twee kleine zeilschepen elkaar op tegengestelde koersen
naderen, het schip dat vóór de wind zeilt of, indien beide schepen het
bezeild hebben, het schip dat over bakboordboeg ligt de weg vervolgen en
moet het andere schip de weg vrijlaten (schets, aanhangsel 12).
3. Lid 1. c) en d) en lid 2 gelden niet voor engten, waar de doorvaart
door middel van tekens wordt geregeld.
4. Ingeval het naderen op tegengestelde koersen in een engte onmogelijk
kan worden vermeden dienen de schippers alle mogelijke maatregelen te
treffen zodat het voorbijvaren op de plaats en in de voorwaarden gebeurt
die het minste gevaar oplevert. De schipper die een gevaar voor
aanvaring vaststelt, moet een reeks zeer korte stoten voortbrengen.
Art. 6.08. Verbod tot naderen op tegengestelde koersen door tekens langs
de vaarweg
1. In de gedeelten van de vaarweg aangeduid door het verbodsteken A.4
(aanhangsel 7) is artikel 6.07 van toepassing.
2. Indien de scheepvaart afwisselend slechts in één richting wordt
toegelaten, wordt
- het verbod de vaart te vervolgen aangeduid door het verbodsteken A.1
(aanhangsel 7);
- de toestemming de vaart te vervolgen aangeduid door het
aanwijzingsteken E.1 (aanhangsel 7).
Gelet op de plaatselijke omstandigheden kan het verbodsteken voorafgaand
worden aangekondigd door het gebodsteken B.8 (aanhangsel 7).
Art. 6.09. Voorbijlopen : algemene bepalingen
1. Een schip mag een ander schip slechts voorbijlopen, nadat het zich er
van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden.
2. Het schip dat wordt opgelopen moet het voorbijlopen voor zover nodig
en mogelijk vergemakkelijken. Het moet snelheid verminderen, indien dit
nodig is om het voorbijlopen zonder gevaar en in zo korte tijd te doen
geschieden, dat de andere schepen daardoor niet worden gehinderd.
Deze bepaling geldt niet voor een groot schip dat wordt opgelopen door
een klein schip.
Art. 6.10. Voorbijlopen
1. Als algemene regel moet de oploper aan bakboord van de opgelopene
voorbijlopen. Indien daartoe ruimte is, mag echter de oploper aan
stuurboord van de opgelopene voorbijlopen (schets, aanhangsel 12).
2. Indien een zeilschip een ander zeilschip oploopt, moet het, zo
mogelijk, aan loef voorbijlopen (schets, aanhangsel 12). Deze bepaling
geldt niet voor een groot zeilschip dat een klein zeilschip oploopt.
Een schip dat door een zeilschip wordt opgelopen, moet, zo mogelijk,
ertoe medewerken, dat dit aan loef kan voorbijlopen. Deze bepaling geldt
niet voor een groot schip dat wordt opgelopen door een klein zeilschip.
3. Indien het voorbijlopen mogelijk is zonder dat de opgelopene zijn
koers wijzigt, behoeft de oploper geen geluidssein te geven.
4. Indien het voorbijlopen niet kan geschieden zonder dat de opgelopene
zijn koers wijzigt, of indien het te vrezen is dat de opgelopene de
bedoeling van de oploper om voorbij te lopen niet heeft begrepen, en
daardoor gevaar voor aanvaring bestaat, moet de oploper volgend sein
geven (schets, aanhangsel 12) :
a) twee lange stoten gevolgd door twee korte stoten, zo hij aan bakboord
van de opgelopene wil voorbijlopen;
b) twee lange stoten gevolgd door één korte stoot, zo hij aan stuurboord
van de opgelopene wil voorbijlopen.
5. De opgelopene die gevolg kan geven aan het verlangen van de oploper
moet aan de door deze gevraagde zijde voldoende ruimte laten door zo
nodig naar de andere zijde uit te wijken en mag volgend sein geven
(schets, aanhangsel 12) :
a) één korte stoot, zo het oplopen aan bakboord moet plaatsvinden;
b) twee korte stoten, zo het oplopen aan stuurboord moet plaatsvinden.
6. Indien het voorbijlopen niet aan de door de oploper gevraagde zijde
maar wel aan de andere zijde kan geschieden, moet de opgelopene volgend
sein geven (schets, aanhangsel 12) :
a) één korte stoot, zo het voorbijlopen aan zijn bakboordzijde mogelijk
is;
b) twee korte stoten, zo het voorbijlopen aan zijn stuurboordzijde
mogelijk is.
De oploper die onder deze omstandigheden nog wil voorbijlopen moet
volgend sein geven (schets, aanhangsel 12) :
- twee korte stoten, in het geval onder a);
- één korte stoot in het geval onder b).
De opgelopene moet dan voldoende ruimte laten aan de zijde waar het
voorbijlopen moet geschieden door zo nodig naar de andere zijde uit te
wijken.
7. Indien het voorbijlopen zonder gevaar voor aanvaring niet mogelijk
is, moet de opgelopene vijf korte stoten geven (schets, aanhangsel 12).
8. De leden 4 tot 7 hierboven zijn niet van toepassing tussen een klein
schip en een groot schip, noch tussen kleine schepen onderling.
Art. 6.11. Verbod tot voorbijlopen door tekens langs de vaarweg
Onverminderd de bepalingen van artikel 6.08, lid 1, mag een schip een
ander schip niet voorbijlopen :
a) op de gedeelten van de vaarweg, aangeduid door het verbodsteken A.2
(aanhangsel 7);
b) in het geval van samenstellen onderling, op de gedeelten van de
vaarweg, aangeduid door het verbodsteken A.3 (aanhangsel 7). Dit verbod
geldt evenwel niet, ingeval één van die samenstellen een duwstel is,
waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m
respectievelijk 12 m bedragen;
c) op de gedeelten van de vaarweg, aangeduid door het verbodsteken A.4
(aanhangsel 7).
Afdeling III. - Andere vaarregels
Art. 6.12. Varen op plaatsen waar de te volgen weg wordt voorgeschreven
Op de gedeelten van de vaarweg waar de te volgen weg is voorgeschreven
door de gebodstekens B.1, B.2, B.3 of B.4 (aanhangsel 7), moet het schip
de weg volgen die door dat teken wordt kenbaar gemaakt. Het einde van
deze gedeelten kan door het aanwijzigingsteken E.11 (aanhangsel 7)
worden aangeduid.
Art. 6.13. Keren
1. Een schip mag slechts keren nadat het zich er van heeft vergewist,
dat, leden 2 en 3 in aanmerking genomen, dit zonder gevaar kan
geschieden en zonder dat de andere schepen worden genoodzaakt hun koers
of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.
2. Indien het voorgenomen manoeuvre een ander schip zou noodzaken zijn
koers of zijn snelheid te wijzigen, moet het schip, dat wil keren dit
tijdig tevoren aankondigen door het geven van volgend sein (schets,
aanhangsel 12) :
a) één lange stoot gevolgd door één korte stoot, zo het over stuurboord
wil keren;
b) één lange stoot, gevolgd door twee korte stoten, zo het over bakboord
wil keren.
3. De andere schepen moeten dan, voor zover nodig en mogelijk is, hun
snelheid en hun koers wijzigen om het keren zonder gevaar toe te laten.
4. De bepalingen van lid 1 gelden niet voor een klein schip dat wil
keren ten opzichte van een groot schip. Lid 2 is niet van toepassing
tussen een klein schip en een groot schip. Lid 3 geldt niet voor een
groot schip dat wil keren ten opzichte van een klein schip. Tussen
kleine schepen onderling zijn enkel leden 1 en 3 van toepassing.
5. Op de gedeelten van de vaarweg aangeduid door het verbodsteken A.8
(aanhangsel 7) mag een schip niet keren. Met het aanwijzingsteken E.8
(aanhangsel 7) wordt een gedeelte van de vaarweg aangeduid waar het
keren kan gebeuren, echter met inachtneming van de voorschriften van dit
artikel.
Art. 6.14. Gedrag bij het vertrek
De bepalingen van artikel 6.13, leden 1, 2, 3 en 4 zijn eveneens van
toepassing op een schip met uitzondering van een veerpont, dat zijn
ankerplaats of zijn ligplaats verlaat zonder te keren; evenwel moet dit
schip, in plaats van de bij lid 2 van dat artikel vermelde seinen, geven
(schets, aanhangsel 12) :
a) één korte stoot zo het schip stuurboord uitgaat;
b) twee korte stoten zo het schip bakboord uitgaat.
Art. 6.15. Verbod zich in de tussenruimten tussen de lengten van een
sleep te bewegen
Het is verboden zich in de tussenruimten tussen de lengten van een sleep
te begeven.
Art. 6.16. In- en uitvaren van havens en nevenvaargeulen, uitvaren
gevolgd door het oversteken van de hoofdvaargeul
1. Een schip mag slechts een haven of een nevenvaargeul uitvaren of een
hoofdvaargeul oversteken of een haven of een nevenvaargeul invaren,
nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan
geschieden en zonder andere schepen te noodzaken hun koers of hun
snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen. Dit gebod kan worden
aangeduid door het teken B.9 (aanhangsel 7).
Op een vaarweg waar stroom loopt moet een voor stroom varend schip dat
is genoodzaakt op te draaien om een haven of een nevenvaargeul in te
varen voorrang verlenen aan een tegen stroom varend schip dat eveneens
deze haven of deze nevenvaargeul wil invaren.
Bij de samenkomst of de kruising van vaargeulen kan een hoofd- of een
nevenvaargeul worden aangeduid door het teken E.9 of E.10 (aanhangsel
7).
2. Indien door één der in lid 1 bedoelde manoeuvres een ander schip zou
of kan worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, moet
het schip zijn manoeuvre tijdig tevoren aankondigen door het geven van
(schets, aanhangsel 12) :
a) drie lange stoten gevolgd door één korte stoot, zo het na het
uitvaren of vóór het invaren stuurboord uit zal gaan;
b) drie lange stoten gevolgd door twee korte stoten, zo het na het
uitvaren of vóór het invaren bakboord uit zal gaan;
c) drie lange stoten, zo het na het uitvaren de hoofdvaargeul zal
oversteken.
Vóór het einde van het oversteken moet het schip zo nodig geven :
- één lange stoot gevolgd door één korte stoot, zo het stuurboord uit
wil gaan;
- één lange stoot gevolgd door twee korte stoten, zo het bakboord uit
wil gaan.
3. De andere schepen moeten dan zo nodig, hun koers en hun snelheid
wijzigen om het manoeuvre zonder gevaar mogelijk te maken.
Deze bepaling blijft ook van kracht indien het teken B.10 (aanhangsel 7)
geplaatst is op de hoofdvaargeul nabij de uitmonding van een haven of
een nevenvaargeul.
4. Een schip op een hoofdvaargeul mag een haven of een nevenvaargeul
niet invaren indien langs deze hoofdvaargeul het licht A.1 (aanhangsel
7) in combinatie met het bijkomend teken F.2 (aanhangsel 7) worden
getoond. Een schip mag een haven of een nevenvaargeul niet uitvaren
indien langs deze haven of deze nevenvaargeul vóór de uitmonding in de
hoofdvaargeul bovenvermelde tekens worden getoond.
5. Een schip op een hoofdvaargeul mag, ook indien daardoor een ander
schip zou worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen,
een haven of een nevenvaargeul invaren, indien langs deze hoofdvaargeul
vóór de uitmonding van die haven of die nevenvaargeul het teken E.1
(aanhangsel 7) wordt getoond in combinatie met het bijkomend teken F.2
(aanhangsel 7). Een schip mag een haven of een nevenvaargeul uitvaren,
indien langs deze haven of nevenvaargeul vóór de uitmonding daarvan in
de hoofdvaargeul bovenvermelde tekens worden getoond. In het laatste
geval moet het schip, indien nodig, eveneens de geluidsseinen bedoeld in
lid 2, geven.
6. Lid 1 geldt niet voor een klein schip dat manoeuvreert ten opzichte
van een groot schip. Lid 2 is niet van toepassing tussen een klein schip
en een groot schip. Lid 3 geldt niet voor een groot schip dat
manoeuvreert ten opzichte van een klein schip. Tussen kleine schepen
onderling zijn enkel leden 1 en 3 van toepassing.
Art. 6.17. Op gelijke hoogte varen
1. Schepen mogen slechts op gelijke hoogte varen indien de beschikbare
ruimte dit zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart toelaat.
2. Behalve bij voorbijlopen en bij voorbijvaren op tegengestelde
koersen, mag een schip niet varen binnen een afstand van 50 m van een
schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tekens voert
voorgeschreven in artikel 3.14, leden 2 en 3, of in artikel 11.02.
3. Onverminderd de bepalingen van artikel 1.20 mag een schip niet
langszijde komen van een varend schip of een varend drijvend voorwerp,
zich daaraan vastmaken of zich in het kielzog daarvan laten meevoeren
zonder uitdrukkelijke toestemming van de schipper daarvan.
4. Waterskiërs of personen die watersport beoefenen zonder gebruik te
maken van een schip moeten voldoende afstand houden van een varend
schip, een varend drijvend voorwerp of van een drijvend werktuig in
bedrijf.
Art. 6.18. Verbod om ankers, kabels of kettingen te laten slepen
1. Het is verboden om ankers, kabels of kettingen te laten slepen.
2. Dit verbod geldt niet voor een schip dat zich verplaatst op een
ligplaats of dat een manoeuvre uitvoert, tenzij dit geschiedt :
a) op een afstand van minder dan 100 m van een brug, sluis, stuw,
veerpont of drijvend werktuig in bedrijf;
b) op de gedeelten van de vaarweg, aangeduid door het verbodsteken A.6
(aanhangsel 7), overeenkomstig artikel 7.03, lid 1. b).
Art. 6.19. Zich laten drijven
Een schip mag zich niet met de stroom mee laten drijven, zonder dat het
van een middel tot voortbeweging gebruik maakt.
Dit verbod geldt niet voor kleine verplaatsingen op de ligplaats, bij
laden en bij lossen, noch voor een zeilend schip dat als gevolg van het
wegvallen van de wind gedwongen is zich te laten drijven.
Art. 6.20. Hinderlijke waterbeweging
1. Een schip moet zijn snelheid zodanig regelen, dat hinderlijke
waterbeweging waardoor schade aan een stilliggend schip, een drijvend
voorwerp of een drijvende inrichting zou kunnen worden veroorzaakt,
wordt vermeden. Meer bepaald moet het tijdig zijn snelheid verminderen,
echter niet beneden die welke nodig is voor het veilig sturen :
a) voor een havenmond;
b) in de nabijheid van een schip dat gemeerd is aan de oever of aan een
ontschepingplaats of dat wordt geladen of gelost;
c) in de nabijheid van een schip dat op een gebruikelijke ligplaats
stilligt;
d) in de nabijheid van een veerpont;
e) op de gedeelten van de vaarweg aangeduid door het teken A.9
(aanhangsel 7).
2. Ter hoogte van een schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting,
dat de tekens voorgeschreven bij artikel 3.29 voert, moeten de andere
schepen hun snelheid verminderen volgens de voorschriften van lid 1.
Bovendien moeten zij zo ver mogelijk daarvan verwijderd blijven.
3. Een schip moet bij het voorbijvaren van een schip zoals bedoeld in
artikel 3.25 aan de zijde waar de tekens van lid 1. c) van dat artikel
worden gevoerd, tijdig zijn snelheid minderen, zoals bepaald in lid 1
van dit artikel. Bovendien moet het zo ver mogelijk daarvan verwijderd
blijven.
Art. 6.21a. Manoeuvreerbaarheid van schepen en samenstellen
1. Een motorschip dat zorgt voor de voortbeweging van een samenstel moet
een vermogen hebben dat voldoende is om de goede manoeuvreerbaarheid van
het samenstel te verzekeren.
2. Een motorschip, een duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan de
lengte meer dan 110 m bedraagt, evenals een motorschip, een duwstel en
een gekoppeld samenstel die op een vaarweg waar stroom loopt voor stroom
varend niet kunnen keren, moeten tijdig zonder te keren kunnen
stilhouden zó dat de manoeuvreerbaarheid tijdens en na het stilhouden
goed blijft.
Art. 6.21b. Bijzondere bepalingen voor duwstellen en gekoppelde
samenstellen
1. Een duwstel en een gekoppeld samenstel mogen geen sleepdienst
verrichten.
2. Indien een duwstel andere elementen dan duwbakken bevat, moeten deze
elementen aan langszijde van het duwstel zijn vastgemaakt.
3. Een zeeschipbak mag niet voor in een duwstel worden geplaatst tenzij
de ankers kunnen worden aangebracht voor aan het duwstel.
Art. 6.21c. Communicatie aan boord
1. Indien de lengte van een alleen varend motorschip, van een duwstel of
van een gekoppeld samenstel meer dan 110 m bedraagt, moet er een
spreekverbinding bestaan :
a) tussen de stuurhut en de kop van het motorschip;
b) tussen de duwboot en de kop van het duwstel;
c) en voor wat betreft het gekoppeld samenstel, tussen de stuurhut van
het motorschip of één der motorschepen die dienen voor de voortbeweging
en de kop van het samenstel.
2. Bij een sleep moet er een telefoonverbinding bestaan tussen de
besturingseenheden van alle schepen.
3. Indien de marifoon wordt gebruikt als telefoonverbinding mag dit
slechts gebeuren op de kanalen bestemd voor het verkeer aan boord van
schepen.
Art. 6.21d. Verplaatsen van een duwbak buiten het verband van een
duwstel
Een duwbak mag slechts buiten het verband van een duwstel worden
verplaatst :
a) gekoppeld aan een motorschip;
b) op eigen kracht over korte afstanden, tijdens het samenstellen of
ontkoppelen van een duwstel.
Art. 6.22. Stremming en beperking van de scheepvaart
1. Alle schepen dienen stil te houden vóór het algemene verbodsteken A.1
(aanhangsel 7).
2. Een schip mag niet varen op een vaarweg of een gedeelte daarvan, dat
aangeduid is met een teken A.1a (aanhangsel 7). Deze bepaling is niet
van toepassing op een klein schip dat geen motorschip is.
3. Een schip mag niet varen langs een schip, zoals bedoeld in artikel
3.25, aan de zijde waar 's nachts het rode licht en overdag de rode bol
of het rode bord wordt getoond, noch langs een schip, zoals bedoeld in
artikel 3.34, aan de zijde waar 's nachts twee rode lichten en overdag
twee zwarte bollen worden getoond.
Afdeling IV. - Veerponten
Art. 6.23. Vaarregels voor veerponten
1. Een veerpont mag de vaargeul slechts oversteken, na zich er van
vergewist te hebben dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat
andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling
en in sterke mate te wijzigen.
2. Een niet vrij varende veerpont moet zich voorts houden aan de
volgende regels :
a) indien de veerpont buiten dienst is moet ze ligplaats nemen op de
hiertoe aangeduide plaats. Indien geen ligplaats werd aangeduid, dient
ze zodanig ligplaats te nemen dat de vaargeul vrij blijft;
b) ze mag zich niet langer in de vaargeul bevinden dan voor de
uitvoering van de dienst nodig is.
Afdeling V. - Doorvaren van bruggen, stuwen en sluizen
Art. 6.24. Doorvaren van bruggen en stuwen - Algemene bepalingen
1. De doorvaartopening van een brug, van een stuw of van een aan beide
zijden openstaande sluis, waar de vaargeul niet voldoende ruimte biedt
voor het elkaar voorbijvaren van twee schepen, is een engte, zoals
bedoeld in artikel 6.01 lid 1. d) en waarvoor de regels van artikel 6.07
toepasselijk zijn.
2. Indien de doorvaart doorheen de doorvaartopening van een brug of stuw
toegelaten is, en deze opening toont :
a) het teken A.10 (aanhangsel 7), dan mag een schip in deze
doorvaartopening niet varen buiten de begrenzing, aangeduid door de twee
borden die dit teken vormen;
b) het teken D.2 (aanhangsel 7), dan wordt aanbevolen in deze
doorvaartopening uitsluitend te varen binnen de begrenzing, aangeduid
door de twee borden die dit teken vormen.
Art. 6.25. Doorvaren van vaste bruggen
1. Een schip mag niet varen door de doorvaartopening van een vaste brug
waarboven wordt getoond : één of meer rode lichten of borden
rood-wit-rood (teken A.1, aanhangsel 7).
2. Indien boven een doorvaartopening van een vaste brug wordt getoond :
a) het teken D.1a (aanhangsel 7) of
b) het teken D.1b (aanhangsel 7),
wordt aanbevolen bij voorkeur van deze doorvaartopening gebruik te
maken.
Ingeval van het teken vermeld onder a) is de doorvaartopening vrij voor
de scheepvaart in beide richtingen; ingeval van het teken vermeld onder
b) is de doorvaartopening verboden voor de scheepvaart uit
tegenovergestelde richting.
3. Indien bepaalde doorvaartopeningen van een vaste brug aangegeven zijn
volgens de in lid 2 vermelde bepalingen, mogen de niet aldus
gesignaleerde doorvaartopeningen door de scheepvaart worden gebruikt op
eigen risico.
Art. 6.26. Doorvaren van beweegbare bruggen
1. Onverminderd de andere bepalingen in dit reglement en de andere van
kracht zijnde voorschriften, dient de schipper bij het naderen en bij de
doorvaart van beweegbare bruggen gevolg te geven aan de aanwijzingen die
eventueel worden gegeven door het bedieningspersoneel, teneinde de
veiligheid, de goede orde van de scheepvaart of het zonder oponthoud
doorvaren te verzekeren.
2. Bij het naderen van een beweegbare brug moet een schip snelheid
verminderen. Het moet, ingeval het de doorvaartopening niet mag of wil
doorvaren, vóór het teken B.5 (aanhangsel 7) stilhouden.
3. Bij het naderen van een beweegbare brug mag een schip een ander schip
niet voorbijlopen, tenzij op aanwijzing van het bedieningspersoneel.
4. Het doorvaren van beweegbare bruggen kan worden geregeld door de
volgende tekens, geplaatst hetzij aan weerszijden van de
doorvaartopening op gelijke hoogte, hetzij aan stuurboordzijde daarvan :
a) twee rode vaste lichten boven of naast elkaar (teken A.1; aanhangsel
7) : de doorvaart is verboden, de brug wordt niet bediend;
b) één rood vast licht (teken A.1; aanhangsel 7) : de doorvaart is
verboden, de brug wordt bediend;
c) een rood vast licht en een groen vast licht, beide op dezelfde hoogte
ofwel een rood vast licht boven een groen vast licht (teken A.11;
aanhangsel 7) : het doorvaren is nog verboden, maar de brug zal worden
geopend en de schepen dienen zich klaar te maken voor de doorvaart;
d) één groen vast licht (teken E.1; aanhangsel 7) : de doorvaart is
toegestaan;
e) twee groene vaste lichten boven of naast elkaar (teken E.1;
aanhangsel 7) : de doorvaart is toegestaan, de brug is in geopende
toestand en wordt niet bediend; artikel 6.07 is van toepassing;
f) een rood vast licht en daaronder een groen flikkerlicht (teken
A.11.1; aanhangsel 7) : de doorvaart is verboden, tenzij het schip de
doorvaartopening reeds zo dicht genaderd is, dat stilhouden
redelijkerwijze niet meer mogelijk is;
g) een geel licht op de brug (teken D.1a; aanhangsel 7), in combinatie
met de lichten onder a) en b) : de doorvaart is verboden behalve voor
schepen met beperkte hoogte; de scheepvaart is in beide richtingen
toegestaan;
h) twee gele lichten op de brug (teken D.1b; aanhangsel 7), in
combinatie met de lichten onder a) en d) : doorvaart verboden behalve
voor schepen met beperkte hoogte; de scheepvaart is in de
tegenovergestelde richting verboden.
5. De rode lichten, bedoeld in lid 4.a) kunnen worden vervangen door het
bord van teken A.1 (aanhangsel 7). De groene lichten, bedoeld in lid
4.e) kunnen worden vervangen door het bord van teken E.1 (aanhangsel 7).
De gele lichten, bedoeld in lid 4.g) en h), kunnen worden vervangen door
het bord van teken D.1 (aanhangsel 7).
6. De schipper kan het verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug
kenbaar maken door het geven van hetzij één lange stoot gevolgd door één
korte stoot en één lange stoot, hetzij door roepen.
Art. 6.27. Doorvaren van stuwen
1. Het is verboden door de opening van een stuw te varen waar het teken
A.1 (aanhangsel 7) wordt getoond.
2. Een schip mag slechts door de opening van een stuw varen waarbij aan
weerszijden het teken E.1 (aanhangsel 7) wordt getoond.
3. In afwijking van lid 2 mag bij een stuw met daarboven een brug een
schip eveneens door de opening van de stuw varen, indien boven de
doorvaartopening van de brug het teken D.1a of het teken D.1b
(aanhangsel 7) wordt getoond. Ingeval van het teken D.1a is de
doorvaartopening vrij voor de doorvaart uit beide richtingen, ingeval
van het teken D.1b is de doorvaart uit de tegenovergestelde richting
verboden.
Art. 6.28. Doorvaren van sluizen
1. Bij het naderen van een wachtplaats voor een sluis moet een schip
snelheid verminderen. Het moet, ingeval het de sluis niet onmiddellijk
mag of wil invaren, vóór het teken B.5 (aanhangsel 7) stilhouden.
2. Een schip mag geen ligplaats nemen op een wachtplaats van een sluis,
tenzij om te worden geschut.
3. Op een wachtplaats van een sluis moet een schip, dat met een
marifooninstallatie is uitgerust, uitluisteren op het kanaal van de
sluis.
4. De schipper kan het verzoek tot het bedienen van de sluis kenbaar
maken door het geven van hetzij één lange stoot, gevolgd door één korte
stoot en één lange stoot, hetzij door roepen.
5. De schepen moeten de sluis in volgorde van aankomst op de wachtplaats
invaren. Een klein schip dat samen met grote schepen wordt geschut, mag
de sluis slechts invaren na deze grote schepen.
6. Bij het naderen van een sluis en op een wachtplaats mag een schip een
ander schip niet voorbijlopen.
7. In een sluis :
a) moet een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting
ligplaats nemen binnen de aangegeven grenzen;
b) moet tijdens de bediening en totdat het uitvaren wordt toegestaan een
schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting, zowel aan de
voor als achtersteven zodanig zijn gemeerd en moet zijn meerkabels
zodanig vieren of doorhalen, dat het de andere schepen, drijvende
voorwerpen of drijvende inrichtingen niet beschadigt;
c) mogen slechts voorwerpen die niet kunnen zinken als wrijfhout worden
gebruikt;
d) is het verboden op andere schepen, drijvende voorwerpen of drijvende
inrichtingen, water te storten of te laten vloeien;
e) mag een schip, zodra het is gemeerd en totdat het uitvaren van de
sluis wordt toegestaan, geen gebruik maken van zijn middelen tot
voortbeweging;
f) moet een klein schip zo mogelijk ligplaats nemen op enige afstand van
een groot schip.
8. In een sluis en op een wachtplaats van een sluis moet een schip een
zijwaartse afstand van ten minste 10 m in acht nemen ten opzichte van
een schip of een samenstel dat het teken bedoeld in artikel 3.14, lid 1
voert. Deze verplichting geldt evenwel niet voor een schip of een
samenstel dat eveneens dit teken voert, evenmin voor een schip bedoeld
in artikel 3.14, lid 7.
9. Een schip of een samenstel, dat de tekens bedoeld in artikel 3.14,
leden 2 en 3 voert, moet zich alleen in een sluis bevinden.
10. Een schip of een samenstel, dat het teken bedoeld in artikel 3.14,
lid 1 voert, mag niet samen met een passagiersschip worden geschut.
11. De schipper is verplicht gevolg te geven aan de aanwijzingen die hem
door het bedieningspersoneel worden gegeven.
12. De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing voor elk
ander bouwwerk voor het schutten van schepen, zoals scheepsliften en
hellende vlakken.
Art. 6.28bis. In- en uitvaren van sluizen
1. De toegang tot een sluis wordt zowel overdag als 's nachts geregeld
door tekens geplaatst aan stuurboordzijde of aan weerszijden van de
invaartopening op gelijke hoogte. Deze tekens hebben de volgende
betekenis :
a) twee rode vaste lichten boven of naast elkaar (teken A.1; aanhangsel
7) : de doorvaart is verboden, de sluis wordt niet bediend;
b) één rood vast licht (teken A.1; aanhangsel 7) : de doorvaart is
verboden, de sluis wordt bediend;
c) een rood vast licht en een groen vast licht beide op dezelfde hoogte,
ofwel een rood vast licht boven een groen vast licht (teken A.11;
aanhangsel 7) : het doorvaren is nog verboden, maar de sluis zal worden
geopend en de schepen dienen zich klaar te maken voor de doorvaart;
d) één groen vast licht (teken E.1; aanhangsel 7) : de doorvaart is
toegestaan;
e) twee groene vaste lichten boven of naast elkaar (teken E.1;
aanhangsel 7) : de doorvaart is toegestaan, de sluis staat aan beide
zijden open en wordt niet bediend; artikel 6.07 is van toepassing.
2. Het uitvaren van een sluis kan zowel overdag als 's nachts worden
geregeld door tekens geplaatst aan stuurboordzijde of aan weerszijden
van de uitvaartopening op gelijke hoogte. Deze tekens hebben de volgende
betekenis :
a) één rood vast licht (teken A.1; aanhangsel 7) : uitvaren verboden;
b) één groen vast licht (teken E.1; aanhangsel 7) : uitvaren toegestaan.
3. De rode lichten bedoeld in lid 1. a) kunnen worden vervangen door een
bord van teken A.1 (aanhangsel 7). De groene lichten bedoeld in lid 1.
e) kunnen worden vervangen door een bord van teken E.1 (aanhangsel 7).
4. Indien noch lichten, noch borden zoals bedoeld in leden 1, 2 en 3
aanwezig zijn is de toegang tot en het uitvaren van de sluis verboden,
behoudens anders luidende bepalingen.
5. De bepalingen van dit artikel, met uitzondering van deze van lid 1.
e), zijn eveneens van toepassing voor elk ander bouwwerk voor het
schutten van schepen, zoals scheepsliften en hellende vlakken.
Art. 6.29. Voorrang van schutting
1. In afwijking van artikel 6.28, lid 5, hebben de hierna vermelde
schepen recht op voorrang van schutting :
a) de schepen voorzien van het teken vermeld in artikel 3.17;
b) de schepen voorzien van het teken vermeld in artikel 3.27.
2. Elk ander schip moet de nodige medewerking verlenen, opdat de
schepen, bedoeld in lid 1, de sluis zonder oponthoud zouden kunnen
invaren.
3. De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing voor elk
ander bouwwerk om schepen te schutten, zoals scheepsliften en hellende
vlakken.
Afdeling VI . - Slecht zicht. - Varen op radar
Art. 6.29bis. Algemeenheden
De bepalingen van deze afdeling zijn alleen van toepassing bij slecht
zicht.
Art. 6.30. Algemene bepalingen voor het varen bij slecht zicht
1. Een varend schip moet een snelheid aanhouden die is aangepast aan de
zichtbaarheid, aan de aanwezigheid en de beweging van andere schepen en
aan de plaatselijke omstandigheden. Het moet voorop een uitkijk hebben,
die zich óf binnen zicht- of gehoorafstand van de schipper bevindt, óf
een spreekverbinding met hem heeft. Echter :
a) bij een samenstel behoeft alleen het voorste schip de uitkijk te
hebben;
b) een klein schip behoeft geen uitkijk te hebben.
2. Een schip moet op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats gaan
stilliggen, wanneer in verband met de mate van beperking van het zicht,
met de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen of met de
plaatselijke omstandigheden de vaart niet zonder gevaar kan worden
verder gezet.
Een sleep moet op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats gaan
stilliggen, indien het zicht tussen het motorschip en de andere schepen
van de sleep dermate beperkt is dat geen tekens meer kunnen worden
gegeven.
3. Teneinde te beoordelen of de vaart al dan niet zonder gevaar kan
worden voortgezet en teneinde de aan te houden snelheid te bepalen, mag
een schip dat gebruik maakt van radar, de waarneming met radar in
aanmerking nemen. Het moet hierbij echter eveneens rekening houden met
de vermindering van het zicht die de andere schepen ondervinden.
4. Een schip moet bij het gaan stilliggen zoveel mogelijk de vaargeul
vrijmaken.
5. Een schip dat de vaart voortzet moet uitgerust zijn met een
marifooninstallatie die geschikt is voor het gebruik van de kanalen voor
schip-schip verkeer, moet uitluisteren op het daartoe aangewezen kanaal
en aan de andere schepen de nodige inlichtingen ter verzekering van de
veiligheid van de scheepvaart geven.
6. Een schip dat de vaart voortzet moet zoveel mogelijk de zijde van de
vaargeul aan stuurboord houden zodat het voorbijvaren op tegengestelde
koersen bakboord op bakboord gebeurt. De bepalingen van artikel 6.05
zijn niet van toepassing bij slecht zicht.
Art. 6.31. Geluidssein van een schip dat stilligt of is vastgevaren
1. Een schip, dat in de vaargeul of in de nabijheid daarvan op een
gevaarlijke plaats gestrekt langs de zijde van de vaargeul stilligt,
moet het geluidssein van een naderend schip telkens beantwoorden door
het geven van een reeks klokslagen. Het schip mag dit sein geven zonder
dat het geluidssein van een naderend schip wordt gehoord.
2. Een schip, dat in de vaargeul of in de nabijheid daarvan op een
gevaarlijke plaats stilligt en dat zich niet gestrekt langs de zijde van
de vaargeul bevindt, moet een reeks klokslagen geven. Het schip moet dit
sein herhalen met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
3. De verplichting bedoeld in leden 1 en 2 geldt niet voor een schip dat
in een haven stilligt, of dat stilligt op een daartoe in het bijzonder
bestemde ligplaats.
4. Bij een duwstel mag het geluidssein slechts door de duwboot en bij
een gekoppeld samenstel slechts door één schip worden gegeven.
5. Een schip dat stilligt zoals bedoeld in leden 1 en 2 en dat
rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, mag bovendien
één korte stoot gevolgd door één lange stoot en één korte stoot geven.
Dit sein mag worden herhaald.
6. Op een schip dat in de vaargeul of in de nabijheid daarvan op een
gevaarlijke plaats is vastgevaren, zijn de voorgaande leden van
toepassing.
7. Onverminderd de bepalingen van dit artikel dient elk schip dat
uitgerust is met marifoon zijn aanwezigheid te melden op het daartoe
voorziene kanaal.
Art. 6.32. Bepalingen voor op radar varende schepen
1. Een schip vaart op radar indien het gebruik maakt van radar voor het
varen bij slecht zicht.
2. Een schip mag slechts op radar varen indien aan boord twee personen,
die met deze wijze van varen voldoende vertrouwd zijn, zich voortdurend
in de stuurhut bevinden. Echter :
a) indien door de inrichting van de stuurhut het voeren van het schip op
radar door één persoon kan geschieden, behoeft de tweede persoon slechts
aan boord beschikbaar te zijn;
b) voor een duwstel, een gekoppeld samenstel en een sleep is dit lid
slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper
van het samenstel bevindt.
3. Een op radar varend schip dient voorop geen uitkijk te hebben, indien
de schipper in staat is de vaart veilig voort te zetten.
4. Een op radar varend schip moet, zodra het op het scherm een schip
waarneemt waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie
zou kunnen leiden of wanneer het een gedeelte van de vaarweg nadert,
waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te
zien zijn :
a) één lange stoot geven en deze zo dikwijls als nodig is herhalen;
b) per marifoon de inlichtingen verstrekken die voor de veiligheid van
de scheepvaart dienstig zijn;
c) de snelheid verminderen en zo nodig stilhouden of keren.
5. Een met marifoon uitgerust schip dat de in lid 4 bedoelde
inlichtingen verneemt en waarvan de positie of het gedrag ten opzichte
van het in het lid 4 bedoelde schip tot een gevaarlijke situatie zou
kunnen leiden moet met dat schip per marifoon verbinding opnemen
teneinde de nodige inlichtingen te verstrekken.
6. Het in lid 4 bedoelde schip moet ten opzichte van een schip, waarvan
de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden
en dat niet met dit schip per marifoon verbinding opneemt, tijdig
maatregelen nemen om aanvaring te vermijden.
7. Bij een samenstel mag het geluidssein slechts worden gegeven en mogen
de inlichtingen slechts worden verstrekt door het schip aan boord
waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
8. Indien het in lid 4 of 5 bedoelde schip een klein schip is, moet het
bij de te verstrekken inlichtingen mededelen, dat het een klein schip is
en welke koers het bij het uitwijken volgt.
9. Indien het in lid 4 of 5 bedoelde schip een veerpont is, moet het, in
plaats van één lange stoot als voorgeschreven in lid 4, geven : één
lange stoot gevolgd door vier korte stoten, en moet het bij te
verstrekken inlichtingen mededelen, dat het een veerpont is en welke
koers ze bij het oversteken van de vaargeul volgt.
Art. 6.33. Bepalingen voor niet op radar varende schepen
1. Een niet op radar varend schip moet als mistsein geven : één lange
stoot. Het sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste één
minuut.
Bij een samenstel mag dit sein slechts worden gegeven door het schip aan
boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
2. Lid 1 is eveneens van toepassing op een niet op radar varend klein
schip.
3. Een niet op radar varende veerpont moet als mistsein geven : één
lange stoot gevolgd door vier korte stoten.
Het sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste één
minuut.
4. Een niet op radar varend schip dat hoort dat het voorlijker dan dwars
een ander schip nadert, moet zijn snelheid verminderen tot een minimum
waarbij het op koers kan worden gehouden en het moet uiterst voorzichtig
manoeuvreren en zo nodig stilhouden.
Afdeling VII. - Bijzondere regels
Art. 6.34. Bijzondere voorrang
1. Bij het naderen op tegengestelde koersen of bij kruisende koersen
moet het ene schip uitwijken indien het andere schip voert :
a) hetzij de tekens bedoeld in artikel 3.34;
b) hetzij de tekens bedoeld in artikel 3.37.
2. Bij het naderen op tegengestelde koersen of bij kruisende koersen
tussen een schip bedoeld in lid 1. a) en een schip bedoeld in lid 1.b)
moet dit laatste uitwijken.
3. Een schip mag niet op minder dan 1000 m naderen van de achterzijde
van een schip dat de tekens voert bedoeld in artikel 3.35.
Art. 6.35. Pleziervaart
Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de pleziervaartuigen
gehouden de regels te volgen vermeld in hoofdstuk 9.
Art. 6.36. Schepen die aan het vissen zijn
Een schip mag niet op korte afstand achter langs een schip dat aan het
vissen is naderen indien dit schip de tekens bedoeld in artikel 3.37
voert.
Art. 6.37. Duiken en zwemmen
1. Het sportduiken of zwemmen is enkel toegelaten overdag op de panden
of delen van panden waarvan het begin wordt aangeduid door het
verkeersteken E.105 (aanhangsel 7) en het einde door het verkeersteken
A.105 (aanhangsel 7).
2. In de in lid 1 bedoelde zone dienen de schepen met de nodige
voorzichtigheid te varen.
3. Elk schip dient een voldoende afstand te houden van een schip dat het
bijkomend dagteken bedoeld in artikel 3.38 voert.
HOOFDSTUK 7. - Regels voor het ligplaats nemen
Art. 7.01. Algemene beginselen voor het ligplaats nemen
1. Onverminderd de andere bepalingen van dit reglement moeten een schip
en een drijvend voorwerp zo dicht mogelijk bij de oever ligplaats nemen
overeenkomstig hun diepgang en de plaatselijke omstandigheden, en wel
zodanig dat de scheepvaart niet wordt belemmerd of gehinderd.
2. Een drijvende inrichting moet zodanig ligplaats nemen dat de vaargeul
vrij blijft voor de scheepvaart.
3. Een schip, een samenstel en een drijvend voorwerp die stilliggen, en
een drijvende inrichting mogen onder geen enkele omstandigheid enig
gevaar of hinder vormen.
4. Een stilliggend schip mag geen onnodige waterbeweging veroorzaken,
indien daardoor gevaar of schade voor een ander schip, drijvend voorwerp
of drijvende inrichting kan ontstaan.
Art. 7.02. Ligplaats nemen (ankeren en meren)
1. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen
geen ligplaats nemen :
a) op de gedeelten van de vaarweg waar ingevolge algemene regeling
ligplaats nemen verboden is;
a1) op de gedeelten van de vaarweg waar het stilliggen een hinder voor
het verkeer kan veroorzaken, inzonderheid in de nabijheid van
kunstwerken (sluizen, bruggen, ... );
b) op de aldus aangewezen gedeelten van de vaarweg;
c) op de gedeelten van de vaarweg, aangeduid door het teken A.5
(aanhangsel 7), waarbij het verbod van toepassing is aan de zijde van de
vaarweg waar het teken is aangebracht;
d) onder een brug of onder een hoogspanningslijn;
e) in een engte en in de nabijheid daarvan, en op een gedeelte van de
vaarweg waar als gevolg van het stilliggen een engte zou ontstaan of in
de nabijheid daarvan;
f) waar in een vaarweg een andere vaarweg, daaronder begrepen een haven,
uitmondt;
g) in het traject van een veerpont;
h) in de route van schepen die aan een aanlegplaats willen aanleggen of
vandaar vertrekken;
i) op de gedeelten van de vaarweg, waar schepen kunnen keren, aangeduid
door het teken E.8 (aanhangsel 7);
j) evenwijdig aan een schip dat het bord bedoeld in artikel 3.33 voert,
binnen de afstand die op de witte driehoek van dit bord in meter is
aangegeven;
k) op de gedeelten van de vaarweg, aangeduid door het teken A.5.1
(aanhangsel 7), binnen de afstand, te rekenen vanaf het teken, die
daarop in meter is aangegeven.
2. Op de gedeelten van de vaarweg waar ligplaats nemen verboden is
ingevolge de bepalingen van lid 1, mag een schip, een drijvend voorwerp
of een drijvende inrichting evenwel ligplaats nemen op een ligplaats
aangeduid door één der tekens E.5 tot en met E.7.1 (aanhangsel 7), met
inachtneming van de artikelen 7.03 tot en met 7.06.
Art. 7.03. Ankeren
1. Een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting mogen
niet ankeren :
a) op de gedeelten van de vaarweg waar ingevolge algemene regeling
ankeren verboden is;
b) op de gedeelten van de vaarweg, aangeduid door het teken A.6
(aanhangsel 7), waarbij het verbod van toepassing is aan de zijde van de
vaarweg waar het teken is aangebracht.
2. Op de gedeelten van de vaarweg waar ankeren verboden is ingevolge de
bepalingen van lid 1.a), mag een schip, een drijvend voorwerp of een
drijvende inrichting evenwel ankeren op de plaatsen aangeduid door het
teken E.6 (aanhangsel 7), aan de zijde van de vaarweg waar dit teken is
aangebracht.
Art. 7.04. Meren
1. Een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting mogen
niet meren :
a) op de gedeelten van de vaarweg waar ingevolge algemene regeling meren
verboden is;
b) op de gedeelten van de vaarweg aangeduid door het teken A.7
(aanhangsel 7), waarbij het verbod van toepassing is aan de zijde van de
vaarweg waar het teken is aangebracht.
2. Op de gedeelten van de vaarweg waar meren verboden is ingevolge de
bepalingen van lid 1.a), mag een schip, een drijvend voorwerp of een
drijvende inrichting evenwel meren op de plaatsen aangeduid door het
teken E.7 (aanhangsel 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is
aangebracht.
3. Een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting mogen
bij meren of verhalen geen gebruik maken van andere voorwerpen en
voorzieningen dan die welke daartoe zijn bestemd.
Art. 7.05. Ligplaatsen
1. Op een ligplaats, aangeduid door het teken E.5 (aanhangsel 7), mogen
een schip of een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen aan de zijde
van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.
2. Op een ligplaats, aangeduid door het teken E.5.1 (aanhangsel 7),
mogen een schip of een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen op dat
gedeelte van de vaarweg waarvan de breedte, te rekenen vanaf dat teken,
daarop in meter is aangegeven.
3. Op een ligplaats, aangeduid door het teken E.5.2 (aanhangsel 7),
mogen een schip of een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen over
een breedte van de vaarweg gelegen tussen de beide afstanden, te rekenen
vanaf het teken, die daarop in meter zijn aangegeven.
4. Op een ligplaats, aangeduid door het teken E.5.3 (aanhangsel 7),
mogen aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht, een
schip of een drijvend voorwerp ligplaats nemen, indien daarmee het
aantal schepen of drijvende voorwerpen langszijde van elkaar niet meer
bedraagt dan op het teken in Romeinse cijfers is aangegeven.
Art. 7.06. Ligplaatsen voor bepaalde categorieën van schepen
1. Op een ligplaats, aangeduid door één der tekens E.5.4 tot en met
E.5.15 (aanhangsel 7), mogen enkel de categorieën van schepen waarvoor
het teken geldt, ligplaats nemen, en wel slechts aan de zijde van de
vaarweg waar het teken is aangebracht.
2. Op de ligplaatsen moeten de schepen, indien geen andere voorschriften
gelden, langszijde van elkaar en zo dicht mogelijk bij de oever aan de
zijde van de vaarweg plaatsnemen, waar het teken is aangebracht.
Art. 7.07. Ligplaatsen in de nabijheid van schepen, duwstellen of
gekoppelde samenstellen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren
Behoudens anders luidende bepalingen is de minimaal te respecteren
afstand tussen twee stilliggende schepen, duwstellen of gekoppelde
samenstellen :
a) 10 m indien één ervan het teken bedoeld in artikel 3.14, lid 1 voert;
b) 50 m indien één ervan het teken bedoeld in artikel 3.14, lid 2 of in
artikel 11.02 voert;
c) 100 m indien één ervan het teken bedoeld in artikel 3.14, lid 3
voert.
Indien beide schepen, duwstellen of gekoppelde samenstellen één of
meerdere van deze tekens voeren, bepaalt het grootste aantal kegels of
lichten de te respecteren afstand. In het geval echter beide schepen,
duwstellen of gekoppelde samenstellen één kegel of licht voeren, dient
geen minimum afstand te worden gerespecteerd.
Art. 7.08. Bewaking en toezicht
1. Aan boord van een stilliggend schip dat geladen is met stoffen zoals
bedoeld in het ADNR of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog
niet is ontgast of nog niet is ontdaan van restlading, en dat de tekens
moet voeren bedoeld in artikel 3.14, moet zich voortdurend een ter zake
kundige bewaker bevinden.
2. Een ander stilliggend schip dan dat bedoeld in lid 1 of een drijvend
voorwerp moet, bij afwezigheid van de schipper, onder toezicht gesteld
zijn van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen.
3. Een drijvende inrichting moet, bij afwezigheid van de
verantwoordelijke, onder toezicht gesteld zijn van een persoon die zo
nodig snel kan ingrijpen.
Art. 7.09. Toelating om langszijde te komen
Een gemeerd schip moet toelaten, dat een ander schip langszijde komt of
langszijde daar aan vastmaakt en daarover toegang tot de wal heeft
anders dan om te laden of te lossen.
Art. 7.10. Medewerking bij vertrekken of verhalen en tot ruimte maken
Indien van langszijde aan elkaar stilliggende schepen een schip wil
vertrekken of verhalen of ruimte wil hebben voor het langszijde komen
van een schip ten behoeve van overslag, moet elk van de andere schepen
daaraan de nodige medewerking verlenen.
Art. 7.11. Verhalen voor het laden of lossen van een ander schip
Een gemeerd schip, dat niet behoeft te worden geladen of gelost, moet
verhalen, indien een ander schip aldaar dient te worden geladen of
gelost.
HOOFDSTUK 8. - Andere bepalingen
Art. 8.01. Jagen van schepen en van drijvende voorwerpen
1. Behoudens anders luidende bepalingen is het jagen van schepen en
drijvende voorwerpen verboden.
2. In geval van nood kan het jagen van een schip of een drijvend
voorwerp geschieden tot aan het eerste punt waar het zonder gevaar kan
stilliggen.
Art. 8.02. Brand
Wanneer er brand uitbreekt geeft de schipper onmiddellijk alarm en neemt
zo mogelijk ligplaats daar waar hij geen gevaar of hindernis vormt.
HOOFDSTUK 9. - Pleziervaartuigen
Art. 9.01. Algemene bepalingen
1. Het varen met pleziervaartuigen is onderhevig aan de bepalingen van
dit reglement.
2. Het varen met zeilplanken is enkel toegelaten overdag op de panden of
delen van panden waarvan het begin wordt aangeduid door het
verkeersteken E.20 (aanhangsel 7) en het einde door het verkeersteken
A.17 (aanhangsel 7).
3. De vaart met pleziervaartuigen is verboden in de panden of delen van
panden waarvan het begin wordt aangeduid door het verkeersteken A.13
(aanhangsel 7) en het einde door het verkeersteken E.16 (aanhangsel 7).
4. Enkel de pleziervaartuigen met een romplengte groter dan of gelijk
aan 15 m moeten in het bezit zijn van een meetbrief.
5. De pleziervaartuigen moeten de kentekens dragen zoals voorzien in
hoofdstuk 2 van dit reglement. Bovendien dient op dezelfde manier het
nummer van de immatriculatieplaat, voorzien in artikel 9.03, te worden
aangebracht in het midden van de romp of aan de voorsteven, aan
weerszijden van het schip; de hoogte van de letter B en de cijfers moet
ten minste 0,10 m bedragen. Het aanbrengen van het nummer van de
immatriculatieplaat is echter niet verplicht voor :
a) pleziervaartuigen met een romplengte van minder dan 5 m, voor zover
ze niet met grote snelheid varen;
b) door spierkracht voortbewogen schepen met een romplengte van minder
dan 20 m.
Art. 9.02. Technische voorschriften
1. Alle pleziervaartuigen moeten aan boord hebben :
a1) een reserve voortstuwingsmiddel in overeenstemming met het vaartuig.
Dit voortstuwingsmiddel kan onder andere bestaan uit pagaaien,
roeispanen, buitenboordmotor, enz.;
a2) voor iedere persoon aan boord, binnen handbereik, hetzij een
reddingsgordel, een reddingskussen of een reddingsvest;
a3) twee touwen elk met een lengte ten minste gelijk aan deze van het
vaartuig, die er stevig kunnen worden aan bevestigd;
a4) een degelijk functionerende stuurinrichting.
Motorpleziervaartuigen moeten bovendien voldoen aan volgende
voorschriften :
b1) zij moeten ontworpen en gebouwd zijn ten einde elk risico op brand
en ontploffing te vermijden;
b2) hun uitlaatsysteem dient voorzien van een geluidsdemper en de
uitlaatgassen mogen noch gevaar noch hinder veroorzaken voor om het even
wie;
b3) zij moeten voorzien zijn van een goedgekeurde poederblusser van
voldoende capaciteit;
b4) deze met een lengte kleiner dan 7 m en die een snelheid kunnen halen
van meer dan 20 km/u en zonder dek of die worden bestuurd van op een
loopbrug, moeten voorzien zijn van een inrichting die automatisch de
motor stillegt indien de bestuurder zijn plaats verlaat;
b5) zij moeten voorzien zijn van een hoosvat of een handpomp en een
anker met een touw van ten minste 10 m.
2. Lid 1 is niet van toepassing op :
a) zeilplanken;
b) opblaasbare bootjes die niet geschikt zijn om met een motor te worden
voortbewogen;
c) vlotten;
d) door spierkracht voortbewogen vaartuigen met een romplengte kleiner
dan 20 m.
3. Voor jetboten zijn enkel lid 1, a4), b1), b2) en b4) van toepassing.
Nochtans dient ieder der opvarenden een reddingsvest te dragen.
Art. 9.03. Immatriculatieplaat
1. Om zich op de vaarwegen of hun aanhorigheden te bevinden, moet elk
pleziervaartuig voorzien zijn van een immatriculatieplaat.
2. De prijs van de immatriculatieplaat bedraagt 25 EUR. Dit bedrag is
gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen en stijgt per schijf
van 2,50 EUR. Als basis dient het indexcijfer van de maand mei 1992.
3. De immatriculatieplaat wordt afgegeven op schriftelijk verzoek van de
eigenaar van een pleziervaartuig :
a) na betaling van het vereiste bedrag;
b) na overhandiging van een document dat zijn eigendom aantoont;
c) op vertoon van zijn identiteitskaart;
d) na opgave van de karakteristieken van zijn vaartuig;
e) op vertoon van de schriftelijke verklaring van overeenstemming van
het pleziervaartuig of zijn onderdelen voor zover die verklaring vereist
was op het ogenblik dat het pleziervaartuig of de onderdelen voor het
eerst op de markt werden gebracht of in bedrijf gesteld binnen de
Europese Economische Ruimte.
Elke wijziging aan deze inlichtingen dient onverwijld te worden
medegedeeld aan de dienst die de immatriculatieplaat heeft afgegeven.
Bij verandering van eigenaar is de nieuwe eigenaar gehouden een kopie
van zijn eigendomsdocument te bezorgen aan deze dienst.
4. De immatriculatieplaat is definitief en blijft bij het
pleziervaartuig behoren, ook bij verandering van eigenaar. Ze moet
worden vernieuwd in geval van verlies of indien ze door beschadiging
onleesbaar is geworden.
De immatriculatieplaat dient bij de dienst die de immatriculatieplaat
heeft afgegeven te worden ingeleverd, samen met de reden van inlevering,
indien :
a) ze onleesbaar is geworden;
b) het vaartuig definitief vernietigd is;
c) het vaartuig verkocht werd naar het buitenland.
Voor elke ingeleverde immatriculatieplaat wordt een bericht van
schrapping afgegeven.
5. De immatriculatieplaat moet worden aangebracht op een duidelijk
zichtbare plaats op de buitenkant aan stuurboord van de achtersteven of
aan de achterzijde van het vaartuig. Indien de plaat daar niet kan
worden aangebracht, dient ze te worden aangebracht op een daartoe
geschikte en voldoende zichtbare plaats.
6. Dit artikel is niet van toepassing op :
a) zeilplanken;
b) opblaasbare bootjes die niet geschikt zijn om met een motor te worden
voortbewogen;
c) vlotten.
Art. 9.04. Besturen van een pleziervaartuig
1. De bestuurder van hetzij een pleziervaartuig met een romplengte
gelijk aan of groter dan 15 m, hetzij een motorpleziervaartuig dat
sneller dan 20 km/u kan varen, moet 18 jaar zijn en in het bezit zijn
van een stuurbrevet.
2. Om een motorpleziervaartuig, anders dan dat bepaald in lid 1, te
mogen besturen moet de bestuurder :
a) indien het vaartuig uitgerust is met een motor van minder dan 7355
Watt, ten minste 16 jaar oud zijn;
b) indien het vaartuig uitgerust is met een motor van 7355 Watt of meer,
ten minste 18 jaar oud zijn. Deze leeftijdsgrens kan tot 16 jaar worden
verlaagd indien een andere bestuurder van ten minste 18 jaar oud aan
boord is.
3. De bestuurder van een varend pleziervaartuig moet zich bevinden op de
plaats en in de houding die voor het sturen is voorzien.
4. De bestuurder van een pleziervaartuig moet in de gesteldheid zijn om
te sturen en het nodige stuurmanschap bezitten. Hij moet voortdurend in
staat zijn alle nodige stuurbewegingen uit te voeren en zijn vaartuig
bestendig onder controle hebben.
Art. 9.05. Bijkomende vaarregels
1. Het is verboden het verkeer te water te hinderen of in gevaar te
brengen hetzij door gelijk welke voorwerpen of stoffen in de vaarweg te
werpen, te leggen, achter te laten of te laten vallen, hetzij door er
ongelegen stuurbewegingen uit te voeren of hinderlijke golfslag te
veroorzaken. Het is eveneens verboden de gebruikers van de aanhorigheden
van de vaarweg te hinderen of in gevaar te brengen.
2. Het is verboden een aantal personen aan boord te nemen zodat hierdoor
het evenwicht en de veiligheid van het pleziervaartuig in gevaar worden
gebracht.
3. Waterskiërs en de bestuurders van de motorboten die de waterskiërs
trekken, dienen zich op een voldoende afstand te houden van de andere
schepen en van de oevers.
De bestuurder van een motorvaartuig dat één of meer waterskiërs trekt,
moet vergezeld zijn van een medeopvarende van ten minste 15 jaar oud.
4. Het is verboden om personen in de lucht boven het wateroppervlak
voort te slepen.
Art. 9.06. Gebruik van de motor tijdens het stilliggen
De motor van een stilliggend pleziervaartuig mag niet onnodig lang of
zonder redelijk doel in werking worden gehouden.
Art. 9.07. Varen met grote snelheid
1. Het varen met een grote snelheid is enkel toegelaten overdag en bij
goede zichtbaarheid op de panden of delen van panden waarvan het begin
wordt aangeduid door het verkeersteken E.21 (aanhangsel 7) en het einde
door het verkeersteken A.18 (aanhangsel 7).
2. Het waterskiën en aanverwante activiteiten zijn enkel toegelaten
overdag en bij goede zichtbaarheid op de panden of delen van panden
waarvan het begin wordt aangeduid door het verkeersteken E.17
(aanhangsel 7) en het einde door het verkeersteken A.14 (aanhangsel 7).
3. Het varen met grote snelheid met jetboten is enkel toegelaten overdag
en bij goede zichtbaarheid op de panden of delen van panden waarvan het
begin wordt aangeduid door het verkeersteken E.24 (aanhangsel 7) en het
einde door het verkeersteken A.20 (aanhangsel 7).
4. In de vakken waar met grote snelheid mag worden gevaren, is,
behoudens anders luidende bepalingen, de pleziervaart met zeil- en
roeiboten verboden.
5. Het overeenkomstig artikel 9.01, lid 5, aan te brengen nummer van de
immatriculatieplaat moet een hoogte hebben van ten minste 0,20 m. Bij
pleziervaartuigen waar tengevolge van de constructie niet kan worden
voldaan aan deze afmetingen, mag de hoogte van de tekens worden beperkt
tot ten minste 0,10 m.
6. Snelheid- en behendigheidswedstrijden van pleziervaartuigen zijn
verboden.
7. Het varen met grote snelheid is verboden wanneer het zicht minder dan
150 m bedraagt.
8. Snelvarende pleziervaartuigen moeten hun snelheid zodanig regelen dat
zij geen schadelijke golfslag veroorzaken.
Art. 9.08. Buitenlandse pleziervaartuigen
1. Buitenlandse pleziervaartuigen die in het land van herkomst zijn
geïmmatriculeerd, zijn vrijgesteld van de in artikel 9.03 bedoelde
immatriculatieplaat.
2. De bestuurders van buitenlandse pleziervaartuigen moeten in het bezit
zijn van de scheepspapieren die door hun land van herkomst worden
geëist.
3. De snelvarende buitenlandse pleziervaartuigen moeten hun nationale
vlag voeren en op de voorsteven het letterteken van hun land van
herkomst (aanhangsel 1) dragen.
Art. 9.09. Uitzonderingen
Worden niet als pleziervaartuigen beschouwd :
a) de bijboten van schepen, met uitzondering van deze die met grote
snelheid varen, die worden geïdentificeerd overeenkomstig artikel 2.02,
lid 3;
b) de bootjes van openbare veerdiensten die de veerman toebehoren. Zij
moeten de vermelding « Openbaar veer van... » evenals de naam van de
concessiehouder dragen.
HOOFDSTUK 10. - Passagiersschepen
Art. 10.01. Veiligheidsuitrusting
Passagiersschepen moeten voorzien zijn van een veiligheidsuitrusting,
alles in goede staat en zó geplaatst dat deze ten allen tijde voor haar
bestemming kan worden gebruikt.
Art. 10.02. In- en ontschepen van reizigers
1. Het in- en ontschepen van reizigers, behalve in de schutkolken en op
plaatsen waar trappen of andere aangepaste voorzieningen aanwezig zijn,
geschiedt door middel van beweegbare brugjes, aan weerszijden voorzien
van leuningen.
2. Wanneer een passagiersschip niet rechtstreeks tegen de steiger kan
aanleggen, omdat er reeds een ander schip, drijvende inrichting of
drijvend voorwerp tegen ligt, dient dit laatste doorgang te verlenen tot
het aan wal komen of inschepen van de reizigers en goederen van het
laatst aangekomen schip. De overgang van het ene schip, drijvende
inrichting of drijvend voorwerp naar het andere schip gebeurt door
middel van een brugje, aan weerszijden van leuningen voorzien.
Art. 10.03. Aantal passagiers
Onverminderd de andere wettelijke bepalingen mag het aantal passagiers
aan boord noch de stabiliteit noch de goede vaart van het schip in
gevaar brengen.
HOOFDSTUK 11. - Bijzondere bepalingen voor schepen die rechtstreeks van
zee komen of naar zee gaan
Art. 11.01. Bijkomende tekens van schepen die beperkt zijn in hun
manoeuvreerbaarheid
1. Een schip dat rechtstreeks van zee komt of naar zee gaat en dat
beperkt is in zijn manoeuvreerbaarheid moet als bijkomend teken voeren
(schets 78, aanhangsel 3) :
- 's nachts :
drie rode rondom zichtbare lichten in een verticale lijn;
- overdag :
een zwarte cilinder.
2. Deze tekens moeten in overeenstemming zijn met de « Internationale
bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee ».
Art. 11.02. Bijkomende tekens van schepen die bepaalde gevaarlijke
stoffen vervoeren
1. Een schip, dat rechtstreeks van zee komt of naar zee gaat en dat de
gevaarlijke stoffen vervoert bedoeld in aanhangsel 13 of dat na het
vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontgast of nog niet is
ontdaan van restlading, moet als bijkomende tekens voeren (schets 79,
aanhangsel 3) :
- 's nachts :
een rood helder rondom zichtbaar licht;
- overdag :
de vlag « B » van het « Internationaal Seinboek ».
2. Deze tekens moeten worden gevoerd daar waar zij het best kunnen
worden gezien en op een hoogte van ten minste 6 m.
Art. 11.03. Vlaggenseinen van het Internationaal Seinboek
Een schip, dat rechtstreeks van zee komt of naar zee gaat, mag tekens
geven met de vlaggen « A », « B », « G », « H », « P », « Q » en « Z »
van het « Internationaal Seinboek ».
Art. 11.04. Wit lichtsein
1. Een motorschip, dat rechtstreeks van zee komt of naar zee gaat,
behoeft niet het gele lichtsein, bedoeld in artikel 4.01, lid 2, te
tonen.
2. Een schip, dat rechtstreeks van zee komt of naar zee gaat, mag de
algemene geluidsseinen, vermeld in afdeling A van aanhangsel 6,
aanvullen met een wit lichtsein als bedoeld in de internationale
bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee. Het schip mag dan niet
het in lid 1 bedoelde gele lichtsein tonen (schets 80, aanhangsel 3).
3. Het witte lichtsein mag afhankelijk van de omstandigheden worden
herhaald.
4. Dit artikel geldt niet voor klokslagen en reeksen klokslagen.
Art. 11.05. Bijzondere voorrangsregels
1. In afwijking van artikel 6.03.bis, lid 2; artikel 6.04, lid 2;
artikel 6.07, lid 1.d) ; artikel 6.13; artikel 6.14; artikel 6.16, leden
1 en 3; en artikel 6.23, moet een schip de nodige ruimte laten aan een
schip, dat de tekens bedoeld in artikel 11.01 voert, om zijn koers te
volgen en om te manoeuvreren. Het mag niet verlangen dat dit te zijnen
gerieve uitwijkt.
2. Artikel 6.09, lid 2, geldt niet voor een schip dat de tekens, bedoeld
in artikel 11.01, voert en dat wordt opgelopen door een ander schip.
3. Indien bij naderen op tegengestelde koersen, één van schepen de
tekens, bedoeld in artikel 11.01, voert, is artikel 6.05 niet van
toepassing.
4. Schepen die de tekens, bedoeld in artikel 11.01, voeren, moeten zich
behoudens lid 3 onderling gedragen naar de vaarregels van hoofdstuk 6.
Art. 11.06. Ligplaats nemen in de nabijheid van een schip dat bepaalde
gevaarlijke stoffen vervoert
Behoudens anders luidende bepalingen mag een schip dat een teken,
bedoeld in artikel 11.02, moet voeren, geen ligplaats nemen binnen een
afstand van 50 m van andere schepen.
Raadpleging van bl. 50976 tot 51024
Beeld van de publicatie deel 1
Raadpleging van bl. 51025 tot 51034
Beeld van de publicatie deel 2
Raadpleging van bl. 51035 tot 51044
Beeld van de publicatie deel 3
Raadpleging van bl. 51045 tot 51054
Beeld van de publicatie deel 4
Raadpleging van bl. 51055 tot 51064
Beeld van de publicatie deel 5
Raadpleging van bl. 51065 tot 51076
Beeld van de publicatie deel 6
Raadpleging van bl. 51077 tot 51086
Beeld van de publicatie deel 7
Raadpleging van bl. 51087 tot 51096
Beeld van de publicatie deel 8
Raadpleging van bl. 51097 tot 51106
Beeld van de publicatie deel 9
Raadpleging van bl. 51107 tot 51116
Beeld van de publicatie deel 10 |